Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
BEPALEND EN NIET-BEPALEND LIDWOORD.
Oui, madame.
Il faut porter le linge à la blan-
chisseuse; dites-lui d'empeser
et de repasser les chemises,
les cols et les cravates, et de
raccommoder les bas et les
chaussettes. Ensuite vous irez
chercher le pain chez le bou-
langer et les souliers et les
bottes chez le cordonnier.
Ayez la bonté de fermer la
porte. Il y a un courant d'air.
Dites à Henri de monter
le bois et le charbon à la
cuisine.
Bien, madame.
Ja, mevrouw.
Dan moet je het [waschjgoed
naar de waschvrouw brengen;
zeg haar, dat ze de over-
hemden, boorden en dassen
moet stijven en strijken, en
de kousen en sokken moet
stoppen. Daarna moetje brood
halen bij den bakker en de
schoenen en laarzen bij den
schoenmaker. Wees zoo goed
en doe de deur dicht. Het
tocht. Zeg Hendrik, dat hij
hout en kolen in de keuken
moet brengen.
Ja, mevrouw.
10.
Le temps est beau.
Oui, mais le beau temps ne
durera pas longtemps. Le
temps se met à la pluie. Le ciel
est couvert ; comme les nuages
sont épais! Voilà la pluie qui
tombe. C'est une averse.
La pluie ne durera pas long-
temps. Après la pluie le beau
temps. ]>a pluie abat la pous-
sière.
Les rues sont sales; la boue est
affreuse.
Le soleil brille; la campagne
est charmante; allons faire une
petite promenade (un petit
tour).
't Is mooi weer.
Ja, maar het mooie weer zal niet
lang duren. Het weer wordt
regenachtig. De lucht is be-
trokken; wat zijn de wolken
dik! Daar valt al regen, 't Is
een plasregen (stortbui).
De regen zal niet lang duren.
Na regen komt zonneschijn.
De regen slaat het stof neer.
De straten zijn smerig; de mod-
der is verschrikkelijk.
De zon schijnt; het is heerlijk
buiten [op 'tland]; laten we
een eindje gaan wandelen
(eene kleine wandeling gaan
doen).
11.
Nous voici à l'hôtel. Madame,
je désire une petite chambre
bon marché.
Nu zijn we aan het hôtel. Juffrouw,
ik zou wel graag een kleine
kamer hebben, niet te duur.