Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
219
La lettre e en français est sou-
vent nulle (muette).
C'est un homme nul (une nullité,
fam. un zéro, voir p. 202).
Nul autre que lui n'a pu le
faire.
Faire semblant de rien.
Celui qui demande, n'a rien.
Tout ou rien!
Un être pensant, voilà tout
l'homme.
L'homme à lui seul est tout un
monde.
En tout bien, tout honneur.
Dans les petites villes tout le
monde se connaît.
A tout seigneur tout honneur.
Tout chemin mène à Rome.
Tous les genres sont bons, hormis
le genre ennuyeux. (Voltaire.)
Tous les hommes sont mor-
tels. (Les hommes sont tous
mortels).
La mort rajuste toutes choses.
Tout a une fin.
Tout est bien qui finit bien.
A chaque jour suffit sa peine.
Chacun sait où le bât le blesse.
Chacun pour soi et Dieu pour
tous.
Chacun [à] son tour.
[A] chacun son goût.
Chacun est heureux à sa ma-
nière.
Chacun prend sa chacune [fam.).
De letter e is in het Fransch
dikwijls stom.
Die man is een groote nul.
Geen ander (niemand anders)
dan hij heeft het kunnen doen.
Doen alsof men niets merkt.
[Tot kinderen aan tafel:] Wie
vraagt, krijgt niets.
Alles of niets!
Een denkend wezen, daarin
ligt het begrip mensch.
De mensch is op zichzelf eene
gansche wereld.
In alle eer en deugd.
In kleine steden kent iedereen
iedereen.
Eere wien eere toekomt.
Er is meer dan één weg, die
naar Rome leidt.
Alle soorten (genres) zijn goed,
behalve de vervelende.
Alle menschen zijn sterfelijk. (De
menschen zijn alle sterfelijk).
De dood brengt alles terecht
(maakt alles gelijk).
Aan alles komteenmaal een einde.
Eind goed, al goed.
Elke dag heeft aan zijn eigen
leed genoeg.
Ieder wéét [zelf het best] , waar
de schoen hem wringt.
Ieder voor zich en God voor
ons allen.
Ieder [op] zijn beurt.
Ieder zijn smaak.
Ieder vermaakt zich (zoekt zijn
geluk) op zijn manier.
Ieder hijtje neemt (zoekt) zijn
zijtje [bij 't dansen; gem.].