Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
205
P. Le nom ne fait rien à
l'affaire.
B. Je n'ai jamais rien vu de
pareil. A-t-on jamais rien vu de
pareil ? Impossible de rien savoir.
Qu'en dites-vous, Dubois?
D. Cet homme-là n'avouera
rien, dussiez-vous le tenir jus-
qu'à demain.
P. Et vous, monsieur, qui
parlez de m'arrêter, quelles
preuves avez-vous? Vous n'en
avez pas ! Il n'y en a pas !
Je n'ai vu ni entendu aucune
preuve. S'il y en a, produisez-
les ! Rien ne vous en empêche.
Que rien ne vous arrête! Pour
un rien vous me soupçonnez.
Je vous défie de rien prouver
contre moi.
B. Je vous défends de rien
dire (de dire un mot) de plus.
P. Qui vous dit rien ? Je ne
dis plus un mot. Vous ai-je rien
dit qui puisse vous offenser?
Je n'ai rien dit qui puisse of-
fenser personne.
B. Allons, qu'on le relâche,
il n'y a rien à faire avec cet
homme-là. Tout ce qu'on pour-
rait faire ne mènerait à rien.
D. Demandez pardon à mon-
sieur au moins. Alors il vous
donnera peut-être quelque chose.
P. Moi lui demander pardon !
Moi lui rien demander! Moi
lui rien devoir! Au contraire,
c'est lui qui me doit quelque
P. De naam doet niets ter
zake.
B. Ik heb nog nooit zoo
iets beleefd. Wie heeft ooit zoo
iets beleefd? 't Is onmogelijk
iets te weten te komen. Wat
zeg jij, Dubois?
D. Die man zal niets be-
kennen, al hield je hem tot
morgen hier.
P. En u, mijnheer, die
ervan spreekt, me te arrestee-
ren, welke bewijzen heeft u?
Die heeft u niet! Die zijn er niet!
Ik heb nog geen bewijs gezien
of gehoord. Als ze er zijn, kom
er dan mee voor den dag! Niets
belet het u. Laat niets u
weerhouden! Om een kleinig-
heid verdenkt^ u me. Ik tart
u, iets tegen me te kunnen
bewijzen.
B. Ik verbied je nog een
woord te zeggen.
P. Wie zegt dan iets tegen
u? Ik spreek geen woord meer.
Heb ik iets gezegd, dat u kan
beleedigen ? Ik heb niets gezegd,
dat iemand beleedigen kan.
B. Kom, laat hem maar
loopen, er is niets met dien
man te beginnen. Al wat men
zou kunnen doen, zou tot niets
leiden.
D. Vraag mijnheer ten minste
excuus. Dan zal hij je misschien
iets geven.
P. Ik hem excuus vragen!
Ik iets aan hem vragen! Ik zou
hem iets te danken hebben!
Integendeel, hij is het, die mij