Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
202
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
206.
Le vol.
Bresson, marchand.
Dubois, son ami.
Henri,
„ , . commis.
Robert,
Pierre, vagabond.
La scene se passe dans le magasin de M. B.
P. Il fait noir. Je ne vois
personne. Personne ne me voit.
Entrons. Y a-t-il quelqu'un là?
[N']y a-t-il personne là? Per-
sonne ? Personne. Personne n'est
encore venu. Ah ! il vient quel-
qu'un. Cachons-nous.
II. et H. entrent; peu après, M. H.
B. Il m'a semblé voir quel-
qu'un entrer. Il m'a semblé
entendre quelqu'un. Avez-vous
vu quelqu'un? N'avez-vous vu
ni entendu personne?
H. & R. Personne, monsieur.
Personne n'est entré ici. Nous
sommes arrivés un peu avant
vous, et nous n'avons vu per-
sonne; nous n'avons rien vu.
B. Qui est donc cette per-
sonne là-bas, qui se cache ?
Est-ce personne? Vous appelez
cela personne?
R. Ça, monsieur? Ce n'est
personne; c'est une ombre, un
rien, (a pan. C'est que le patron
s'effraie pour un rien.) Il n'y
a [pas] âme qui vive.
B. Personne au monde ne
me le fera croire. Je défends
que personne sorte. C'est mon
De diefstal.
Bresson, een koopman.
Dubois, zijn vriend.
Hendrik,
„ , . ' bedienden.
Robert,
Piet, een landlooper.
Het voorval heeft plaats in den winkel van
den Heer B.
P. Het is donker. Ik zie
niemand. Niemand ziet mij.
Naar binnen dus. Is er iemand ?
Is er niemand? Niemand? Nie-
mand. Er is nog niemand ge-
komen. Ha, daar komt iemand.
Laat ik wegkruipen.
H. en H. treden bumen; kort daarop, de
llr. B.
B. Ik meende iemand te zien
binnengaan. Ik heb iemand
meenen te hooren. Hebben jelui
iemand gezien? Hebben jelui
niemand gezien of gehoord?
H. en R. Niemand, mijnheer.
Er is niemand binnengekomen.
We zijn even voor u gekomen,
en we hebben niemand gezien;
we hebben niets gezien.
B. Wie is dan die persoon
daar, die wegkruipt? Is dat
niemand ? Noemen jelui dat nie-
mand?
H. Dat, mijnheer? Dat is
niemand; dat is een schaduw,
'tis niets. (Terzijde: De patroon
maakt zich dan ook om een
kleinigheid beangst). Er is hier
geen levende ziel.
B. Dat zal niemand ter we-
reld me wijsmaken. Ik verbied,
dat er iemand de deur uitgaat.