Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
197
Pourriez-vous me prêter ces Kan u me die boeken voor
livres pour quelque temps?
Je demeure à quelque distance,
et j'ai quelque difficulté à
les finir et à les rapporter
tout de suite.
eenigen tijd ter leen geven?
Ik woon tamelijk ver, en het
valt me moeielijk, ze dade-
lijk uit te lezen en terug te
brengen.
Gardez-les tant que vous vopdrez. Houd ze, zoolang u wil.
197.
Quelqu'un a dû vous dire du
mal de moi. Votre mine a
quelque chose de singulier
(a je ne sais quoi de singu-
lier). Il y a quelque chose
là-dessous. Quelque chose me
le dit.
Mais non, personne n'a dit de
mal de vous, que je sache.
C'est votre air soupçonneux
qui m'affecte et qui me donne
ce quelque chose de singulier,
ce je ne sais quoi dont vous
parlez.
Er is bepaald iemand, die u
iets kwaads van me gezegd
heeft. Uw gelaat heeft iets
zonderlings (iets waaruit ik
niet goed wijs kan worden).
Daar steekt wat achter. Er
is iets, dat het me zegt.
Wel neen, niemand heeft kwaad
van u gesproken, voor zoover
ik weet. Juist uv^achterdochtig
gezicht werkt op me en geeft
me dat zonderlinge voorko-
men , dat onverklaarbare,
waarvan u spreekt.
198.
On vient, je crois. Quelqu'un
vient (il vient quelqu'un).
Quelqu'un vient-il? Quelqu'un
est-il venu? Il m'a semblé
entendre quelqu'un. Y a-t-il
quelqu'un là?
Monsieur, il y a quelqu'un au
salon.
Qui, quelqu'un?
Un monsieur qui vous demande ;
voici sa carte.
C'est bien; priez-le de m'at-
tendre un moment. — Y a-t-il
quelqu'un d'entre vous qui
connaisse ce nom?
Daar komt iemand, geloof ik.
Daar komt iemand. Komt
er iemand? Is er iemand
gekomen (geweest) ? Ik meen-
de iemand te hooren. Is er
iemand ?
Er is iemand in het salon (de
ontvangkamer), mijnheer.
Wie is die iemand?
Een heer, die u wenscht te
spreken; hier is zijn kaartje.
Goed, verzoek hem een oogen-
blik te wachten. ■— Is er
iemand onder u, die dien
naam kent?