Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
VRAGENDE VOORNAAMWOORDEN. 195
*t is mijnheer Simon. — Wat is hij? Wat doet hij? Wat is zijn
beroep? — Wat al vragen! Hij is iets bij de grenskantoren ^,
geloof ik ; neen, ik vergis me ; weet u, wat hij is ? Hij is politie-
agent hij is niet voor niet hier; hij houdt toezicht op het ge-
peupel/). Maar waarom [is hier] die drukte^)? Zie hier, wat
de zaak is /i). Een soldaat roept tot een burgerman : werda ? De
burger, die eenigszins beschonkenz) is, antwoordt: „Wat gaat
het jou aan? en wie ben je?" De soldaat antwoordt : „Wie ik ben,
dat zal je dadelijk weten," en hij arresteert hem. Oogenblik-
kelijk ontstaat er een oploop/); iedereen roept tegelijk: „Wat is
het? Wie is het? Wie is er gearresteerd? Wie heeft hem gear-
resteerd? Wat heeft hij gedaan? Waarvan wordt hij beschuldigd?
Hang hem op, den schurkt), die hem gearresteerd heeft!" enz.
enz. /), en allen schreeuwen om 't hardst. Ten slotte zal men de
gendarmes laten komen, en alles zal afloopen ;/) met een al-
gemeene, overhaaste vlucht i?).
Waar is het boek gebleven? — Welk boek? —■ Mijn rood
boek. — Ik weet niet, waar het boek is gebleven. Ziehier intus-
schen twee boeken; welk heb je het liefst? Welk van beide is
het fraaist? Kies zelf. Wat zeg je ervan? — Ik weet niet, wat
ik er van zeggen moet.
Wat is er van uw vriend geworden? — Ik weet niet, waar hij
gebleven/) is. — Zal ik u eens wat zeggen? Hij is naar Parijs.—
Waarom ? — Voor zaken. — Zonder afscheid te nemen van ons ?
Wat moet dat beduiden ? — Hij heeft geen middel van bestaan ;
hij weet niet, wat hij moet doen. Hij is ten einde raad.
Hoe maakt u het? Wat doet u? — Ik studeer in de talen;
ik wil leeraar in de r) talen worden s). — Dat is een slecht
beroep. — Wat zal ik u zeggen? Men doet, wat men kan.
ö) O, ah. b) immers, puisque. c) teek en, [le] signe. d) bij
de grenskantoren, aux douanes. e) politie-agent, sergent de ville [agent
de police, gardien de la paix). /) hij houdt toezicht op het gepeupel,
il surveille la populace. g) drukte, [la] foule. h) ziehier wat de
zaak is, voici. /) eenigszins beschonken, un peu gris. j) oogen-
blikkelijk ontstaat er een oploop, à Vinstant il se fait une êvieute.
k) hang hem op, den schurk, à la lanterne, le misérable. l) enz. enz.
etcêtêra, etcétéra {etc., etc,\ m) men zal laten, on fera. n) afloopen,
finir. o) een overliaaste vlucht, un sauve qui peut. p) hij is ge-
bleven, il s'est fourré. q) studeeren in, étudier. r) in de, de.
s) worden, être.
13'