Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
De qui tenez-vous cette nouvelle?
Dis-moi qui tu hantes, et je te
dirai qui tu es.
Qu'y trouvez-vous à redire?
Il mange, mais il ne sait pas
ce qu'il mange; il ne sait
même pas qu'il mange ; il ne
sait pas ce qu'il fait.
Quelle mouche vous pique?
Quelle puce vous mord? {Très
fam)
Quel bruit pour une omelette!
Comme te voilà fait!
Comme te voilà fagoté!
Van wien heb je dat nieuwtje?'
Zeg mij, met wien gij omgaat,
en ik zal u zeggen, wie gij zijt.
Wat vindt u daarop aan te
merken ?
Hij eet, maar weet niet, wat hij
eet; hij weet zelfs niet, dat
hij eet; hij weetniet, wat hij
doet.
Wat maakt u zoo knorrig?
Wat is dat voor een gril?
Wat al drukte om zoo'n kleinig-
heid!
Wat zie je er uit!
Wat ben je toegetakeld!
OEFENINGEN IN HET GEBRUIK VAN DE VRAGENDE
VOORN AAHnVOOR DEN.
Er wordt gebeld. Wat is het? Wie is het? Wien heb ik de
eer te spreken? Wie is u? Wien zoekt u? Wat verlangt u?
Wat is er van uw dienst? Waarmee kan ik u van dienst zijn?
Waaraan heb ik de eer van uw bezoek te danken? Wat? U
antwoordt niet? Wat moet dat beteekenen? AVat wil u daar-
mee zeggen? Houdt u me voor den gek? Voor wien ziet u me
aan? — Och, de arme man is doofstom; hij vraagt om een
aalmoes. •— O d) ^ dat is wat anders; waarom heeft hij het niet
dadelijk gezegd? — Hoe kon hij het zeggen, hij kan immers
niet spreken? — Hoe? wel door teekens*:) natuurlijk. — Wat
nu te doen? Wat zal ik hem zeggen? — Niets, hij kan immers
niet hooren. — Ik moet hem wat geven; hij zal zelf wel weten,
wat ermee te doen.
Wat is er aan de hand? Zeg me wat er aan de hand is. Wat
is het? Zeg me wat het is. — Ik weet niet, wat het is. — Wat
gebeurt er? ■— Ik weet niet, wat er gebeurt. — Wie spreekt
daar? — Ik weet niet, wie het is. — 't Is een mijnheer, ik weet
niet wie, die ik weet niet wat tegen het volk zegt. — Wie is
die mijnheer? — Ik weet niet, wie hij is. Wacht, ik ken hem;