Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.
boire, moi et ma famille.
Qu'est-ce que ça me fait à moi ?
Venons au fait. Que me voulez-
vous? Qu'est-ce que je peux
faire pour vous?
Que vous dirai-je? Je n'ai rien,
et je cherche un emploi.
Que faire? Que dire? Je ne
sais que faire. Je ne sais que
dire. (Je ne sais quoi vous
dire.) Je ne sais vraiment
pas comment faire. Que
voulez-vous que je vous dise?
Que voulez-vous que je fasse?
Je n'ai vraiment pas de quoi
aider tout le monde.
Que me donnez-vous, monsieur?
Combien d'argent* me don-
nez-vous? Combien me don-
nez-vous ?
Que faut-il lui donner? {plus
rarement: Que lui donnerai-
je?) Je ne sais vraiment pas
quoi lui donner. Voulez-
vous quelque chose à manger ?
Merci, monsieur, je n'en ai que
faire pour le moment.
Je ne vous donne pas d'argent,
mais je vous donne du travail.
Que faut-il faire, monsieur? (Que
faut-il que je fasse?)
D'abord, que savez-vous faire?
Hélas, je n'ai rien appris.
En ce cas, je ne peux rien faire
pour vous. Maintenant vous
te eten en te drinken, ik en
mijn gezin.
Wat gaat mij dat aan? Kom
ter zake. Wil wil je van
me ? Wat kan ik voor je doen ?
Wat zal ik u zeggen? Ik bezit
niets en zoek naar een be-
trekking.
Wat zal ik doen? Wat zal ik
zeggen? Ik weet niet, wat
ik doen moet. Ik weet niet,
wat ik zeggen moet. (Ik
weet niet, wat ik je zeggen
moet.) Ik weet waarlijk niet,
hoe ik handelen moet. Wat
zal ik je zeggen? Watzalik doen?
Ik heb waarlijk geen geld ge-
noeg om iedereen te helpen.
Wat krijg ik van u, mijnheer?
Hoeveel geld geeft u me?
Hoeveel krijg ik van u?
Wat moet ik hem geven? Ik
weet waarlijk niet, wat ik
hem geven moet. Wil je
wat eten hebben?
Dank u, mijnheer, dat heb ik
op het oogenblik niet noodig.
Ik geef je geen geld, maar ik
geef je werk.
Wat moet ik doen, mijnheer?
Zeg maar eerst, wat je kunt.
Ach, ik heb niets geleerd.
Dan kan ik niets voor je doen.
Nu weet je, waaraan je te
Soms: quel argent, doch alleen in den zin van quelle püce (Vargent.