Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
2
BEPALEND EN NIET-BEPALEND LIDWOORD.
C'est un petit garçon.
Le bel enfant!
C'est le fils du voisin.
Voilà aussi une petite fille. C'est
la sœur du petit garçon.
Oh! la belle enfant!
Le garçon a les cheveux noirs
et les yeux bruns; la fille a
les cheveux blonds et les yeux
bleus.
J'aime beaucoup la fille aux yeux
bleus.
Le garçon ressemble au père;
la fille ressemble à la mère.
Le père a les cheveux gris et
la barbe grise.
Les enfants jouent au ménage
(au papa et à la maman ^ ;
au monsieur et à la dame).
I.e garçon fait le monsieur.
La fille fait la dame.
Les enfants imitent toujours les
grandes personnes.
Le père a donné un beau livre
au garçon, et une belle pou-
pée à la fille.
Le père est un brave homme,
un bon père et un bon mari.
La mère est une brave femme
et une bonne mère.
Le père est l'ami du fils; la
mère est l'amie de la fille.
Les parents sont les amis des
enfants.
Les parents donnent tout aux
enfants.
Les enfants doivent tout aux
parents.
Het is een jongetje.
Wat een lief (mooi) kind!
't Is het zoontje van buurman.
Daar is ook nogeen [klein] meisje,
't Is het zusje van het jongetje.
O, wat een lief (mooi) kind
(meisje)!
Het jongetje heeft zwart haar
en bruine oogen; het meisje
heeft blond haar en blauwe
oogen.
Het meisje met de blauwe oogen
vind ik zeer lief.
Het jongetje lijkt op den vader;
het meisje lijkt op de moeder.
De vader heeft grijze haren en
een grijzen baard.
De kinderen spelen vader en moe-
der (mijnheer en mevrouw).
Het jongetje is de heer.
Het meisje is de dame.
Kinderen doen altijd groote
menschen na.
De vader heeft het jongetje een
mooi boek en het meisje een
mooie pop gegeven.
De vader is een beste man, een
goed [huis] vader en een goed
echtgenoot.
De moeder is een flinke vrouw
en een goede moeder.
De vader is de vriend van den
zoon; de moeder is de vrien-
din van de dochter.
De ouders zijn de vrienden van
de kinderen.
De ouders geven (verschaffen)
den kinderen [van] alles.
De kinderen hebben den ouders
alles te danken.