Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.
Oui, ce doit être lui (celui-là).
Si ce n'est pas lui, ce doit être
son frère, car il lui ressemble
beaucoup. Ce front, cette
figure, ces cheveux, ces yeux,
— ce ne peut être que lui.
Il faut que je renouvelle
connaissance avec cet hom-
me-là.
Ja, dat moet hij zijn.
Als hij het niet [zelf] is, dan
moet het zijn broeder wezen,
want hij gelijkt veel op hem.
Dat voorhoofd, dat gelaat, dat
haar, die oogen, —het kan nie-
mand anders dan hij zijn. Ik
moet de kennismaking met
dien mijnheereenshernieuwen.
ÏU.
Quelle est donc cette femme Wie is toch die dame?
(dame *)?
Laquelle? Cette femme-ci, tout
près de nous, ou cette femme-
là, plus loin?
Pas celle-ci, mais celle-là, celle
que vous voyez là-haut.
Welke? Deze dame, vlak bij
ons, of die dame, verderop ?
Pour celle-là, je dois la con-
naître. J'ai certainement vu
cette figure-là quelque part.
Je dois connaître cette dame,
mais je ne la remets pas.
Enfin, ça ne fait rien. Cette
femme-ci est plus jolie que
celle-là.
Deze niet, maar die daar, die
[welke] je daar in de hoogte
ziet.
Die moet ik kennen. Dat ge-
zicht heb ik bepaald ergens
gezien. Ik moet die dame
kennen, maar ik kan ze me
niet te binnen brengen.
Nu, dat doet er niets toe. Deze
dame is knapper dan die
[daar].
155.
Ah, voilà l'omnibus. Cette place
est-elle occupée, monsieur?
Cette place est libre, monsieur.
Celle-là est occupée, mais celle-
ci est libre. Monsieur n'est
pas de ce pays-ci?
Non , monsieur, je suis étranger.
Ha, daar is de omnibus. Is
deze plaats bezet, mijnheer?
Die plaats is vrij, mijnheer. Die
daar is bezet, maar deze is
vrij. Is u niet uit dit land (deze
streek) (is u in dit land, deze
streek, niet bekend) mijnheer?
Neen, mijnheer, ik ben [een]
* CeUe femvie, deze dame; keuriger uitgedrukt: celte dame. Daarentegen
une belle ftmme, en niet une belle dame. Vgl. noot 25.