Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
BETREKKELIJKE VOORNAAMWOORDEN.
141
Un mois, je pense.
Autant de temps (aussi long-
temps) que nous.
Dis donc, Théodore, made-
moiselle va rester ici pen-
dant un mois. Notre oncle
ne nous l'avait pas dit.
Mais c'est mon oncle à moi,
mademoiselle.
Je le sais bien; mais c'est le
nôtre aussi.
Ce n'est pas possible.
Pourquoi donc n'est-ce pas pos-
sible?
Je ne sais pas.
Dis donc, mon oncle, M'^® Ma-
thilde qui* dit que tu n'es
pas notre oncle, que tu es
seulement le sien.
Puisque ces deux enfants sont
les neveux de ma femme,
ce sont aussi les miens.
Je savais bien, moi, que mon
oncle n'était pas le vôtre; il
n'y a que ma tante qui soit
votre tante.
Elle est drôle, la petite Pa-
risienne; elle veut bien que
notre tante soit la sienne ;
mais elle ne veut pas que
son oncle soit le nôtre f.
Een maand (vier weken) denk ik.
Net zoolang als wij.
Zeg, Theodoor, deze jonge-
juffrouw zal hier een maand
blijven [logeeren]. Dat had
oom ons niet gezegd.
Maar het is mijn oom.
Dat weet ik wel; maar 't is ook
onze oom.
Dat is niet mogelijk (kan niet).
Waarom kan dat niet?
Ik weet [het] niet.
Hoor eens, oom, Mathilde, die
zegt, dat u onze oom niet
is, dat u alleen een oom
van haar is.
Daar die beide kinderen neven
zijn van mijn vrouw, zijn ze
het immers ook van mij.
Ik wist wel, dat mijn oom niet
uw oom was; alleen mijn
tante is uw tante.
Dat is een raar kind, dat meisje
uit Parijs; zij wil wel, dat
onze tante haar tante is, maar
zij wil niet, dat haar oom
onze oom is.
147.
Voilà deux chapeaux pareils
(semblables) ; lequel est le
mien ?
Die twee hoeden zijn gelijk
(hetzelfde); welke is de
mijne?
♦ Gem. voor voilà Mlle M, qui dit; zoo ook in Ned. met het betr.
voornaamw. Zie boven.
f Naar F. de la Fruston, Echo français^ p« 6; — eenigszins gewijzigd.