Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
Enfin, j'y suis! ... Et j'en Eindelijk ben ik er [aan 't
suis ! Ministre, mon petit hof] ! . .. En ik hoor er bij !
Rabagas, ministre!* Minister, beste Rabagas, je
bent minister! (R. spreekt in
zich zelf).
OEFENINGEN IN HET GEBRUIK DER PERSOONIJIJKE VOOR-
NAAMWOORDEN.
Karei, waar ben je? Ik ben hier (hier ben ik). Waar is Lode-
wijk? Hij is daar (daar is hij). Waar zijn de anderen? Daar zijn
ze. Daar komen ze. Ben jij het Karei? Wie is het? Ik. Ben jij
het alleen? Ik alleen. Ben je alleen? Ja, ik ben alleen.
Wie heeft het gedaan? Ik heb het gedaan. Jij hebt het ge-
daan. Hij heeft het gedaan. Zij heeft het gedaan. Wij hebben
het gedaan. U heeft het gedaan. Zij hebben het gedaan; zij
moeten het betalen.
U is rijk; ik ben arm. Ik ook. En jij en ik [wij] zijn arm;
noch jij noch ik zijn rijk. Ik ook niet. Ik niet. Je bent niet
rijk, maar je bent ook niet arm; je hebt je beide armen. U
is oud; hij is jong; u heeft niets gedaan, hij heeft veel gedaan.
Het is mogelijk, maar ik geloof het niet. Ik vraag u excuus;
niemand weet het beter dan ik. Hij is sterk, maar hij werkt te
veel. Ik heb het hem al heel dikwijls gezegd; maar hij luistert
niet naar me. Hij luistert alleen naar zich zelf. Ik heb hem erover
gesproken, maar te vergeefs.
O, lieve zoon, heb mij altijd lief; ik heb niemand anders op
de wereld; ik heb jou alleen lief. Heeft u slechts dezen éénen
zoon, mevrouw? Neen, mijnheer, ik heb niet slechts dezen éénen,
ik heb er ook [nog] andere, maar hij alleen is thuis gebleven.
Geef me dat boek. Geef het me, als 't u belieft. Zal ik het
hem geven? Ja, geef het hem. Neen, geef het hem niet. Geef
het hem, of geef het hem niet, zooals u wilt. Hij vraagt me
erom, en ik geef het hem.
Wat is het? Vraagt u het mij? Ja, ik vraag het u. Zal ik
het hem zeggen? Ik geloof, dat ik het hem niet zal zeggen.
Zeg het hem. Doe me dat genoegen, als 't u belieft. Ik verzoek
Sardou, Rabagas, 136.