Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

Taisez-vous donc; les voilà.
Quand je vous le disais *! Quand
on parle du loup, on en voit
la queue.
Wees toch stil, daar zijn ze.
Wat heb ik gezegd! Spreekt
men van den duivel, dan ziet
men zijn staart {fam. Spreekt
men van den vent, hij is bij
of omtrent).
131.
Savez-vous que Gaston et Vic-
tor vont se battre ? Ils se
tueront l'un l'autre, ou l'un
tuera l'autre. Ils se sont
donné rendez-vous. Ils se
sont dit : „Nous nous bat-
trons; [r]un de nous mourra
(restera sur le terrain)." Il
paraît qu'ils se sont brouillés
pour un rien.
Eh bien, ils se sont réconciliés.
Ils se sont vus; ils se sont
embrassés. Ils se sont dit :
„11 est temps que cela finisse."
Chacun a dit : „La faute
en est à moi. N'en parlons
plus."
Weet je, dat Gaston en Victor
willen duelleeren? Ze zuüen
elkaar dooden, of een hunner
zal den ander dooden. Ze
hebben de plaats van bijeen-
komst vastgesteld. Ze hebben
tot elkaar gezegd: „We zul-
len duelleeren; een van ons
beiden moet sterven (op de
plaats blijven)." Ze schijnen
het over een beuzeling oneens
te zijn geworden.
Nu, ze hebben zich weer met
elkaar verzoend. Ze hebben
elkaar ontmoet en omhelsd.
Ze hebben tot elkaar gezegd:
„Het wordt tijd, dat er een eind
aan komt." Elk heeft gezegd :
„De schuld ligt aan mij. Laten
we er niet meer over spreken."
132.
II est temps de rentrer. Il est Het is tijd om naar huis te
gaan. Het is plezierig een
thuis te hebben. Het is zoo
gezellig thuis. „Waar kan men
't beter hebben, dan in den
huiselijken kring?"
C'est vrai, excepté quand on est Dat is waar, behalve als men
bon d'avoir un chez soi. On
est si bien chez soi. „Oii
peut-on être mieux qu'au sein
de sa famille ?"
Met zinspeling op het voorafgaande loup. Ook : qu'est-ce que je vous disais ?
About, Mar. de Paris, 207.