Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

Ah, il vous en demande ? Eh Zoo, vraagt hij u er om ? Nu,
bien, il faut lui en donner;
mais ne lui en donnez pas
trop; donnez-lui-en une cuil-
lerée seulement.
dan moet u hem wat geven;
maar geef hem niet te veel;
geef hem alleen een lepeltje
(vol).
122.
Monsieur est-il chez lui? Mon-
sieur y est-il? Je suis parti
de chez moi exprès pour le
voir.
Qui faut-il que j'annonce*,
monsieur ? Monsieur veut-il
bien me donner sa carte
ou me dire son nom?
(Si monsieur veut bien
me donner sa carte.) Je
vais voir si monsieur est
chez lui. En attendant, don-
nez-vous la peine de vous
asseoir.
Is mijnheer thuis? Is mijnheer
te spreken ? Ik ben opzettelijk
van huis gegaan om hem te
bezoeken.
Wie moet ik zeggen, dat er is,
mijnheer? Wil u zoo goed
zijn, mijnheer, uw kaartje te
geven of uw naam te zeggen ?
(Als mijnheer zoo goed wil
zijn, me zijn kaartje te geven.)
Ik zal even gaan zien, of
mijnheer thuis is. Wees in-
tusschen zoo goed, plaats te
nemen.
123.
Monsieur, il y a un monsieur
qui vous demande ; voilà sa
carte.
Ah, monsieur Gautier. Dites-lui
que je suis chez moi et que
je serai charmé de le voir;
priez-le de m'attendre au
salon; je suis à lui à l'in-
stant.
Mijnheer, daar is een heer, die
u verlangt te spreken; hier
is zijn kaartje.
O, 't is mijnheer Gautier. Zeg
hem, dat ik thuis ben en dat
het me genoegen zal doen,
hem te ontvangen; verzoek
hem , me in het salon te wach-
ten ; ik kom dadelijk bij hem.
124.
Bonjour, mon cher monsieur Dag, mijn waarde mijnheer
Gautier, charmé de vous voir. Gautier, verheugd u te zien.
Comment vous portez-vous? Hoe vaart u? (Hoe gaat
{Plus fam. Comment allez- het u? Gaat het goed?
Of meer boekentaal : Qui atmoncerai-je ?