Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
Mon père, je vous le promets.
Maintenant, ne le fais plus.
Tu me l'as promis. Tu te
le rappelles? (Te le rappel-
les-tu ? Tu t'en souvien-
dras? T'en souviendras-tu?)
Sinon, je te le rappellerai;
je trouverai moyen de te
le rappeler. — Soyez-en
sûr, s'il ne se le rappelle
pas, je vais le lui rappeler
de la bonne façon. S'il
m'obéit, bien lui en pren-
dra. S'il lui prend envie
de me désobéir, malheur à
lui ! Je suis très bon pour
lui, mais j'entends qu'il
m'obéisse.
Papa, dat beloof ik u.
Doe het nu niet weer. Je hebt
het mij beloofd. Weet je het
nog wel? Zal je er aan denken?
Anders zal ik je er aan her-
inneren; ik zal wel een mid-
del vinden om je er aan te
doen denken. — Wees verze-
kerd , als hij er niet aan denkt,
zal ik het hem geducht in
het geheugen brengen. Ge-
hoorzaamt hij me, des te
beter voor hem. Mocht het
in hem opkomen, mij onge-
hoorzaam te zijn, dan zal het
hem slecht bekomen. Ik ben
heel goed voor hem, maar ik
sta er op, dat hij me ge-
hoorzaamt.
120,
Pourquoi ces gens-là m'en veu-
lent-ils? Que leur ai-je fait?
Mais je ne leur ai rien fait.
Je ne leur dois rien, et je ne
leur demande rien. Ils me
portent envie, parce que je
suis plus heureux qu'eux.
J'en suis fâché pour eux.
C'est fâcheux pour eux, mais
je n'y peux (puis) rien.
Waarom zijn die menschen toch
boos op me ? Wat heb ik hun
gedaan? Ik heb hun immers
niets gedaan. Ik ben hun niets
verschuldigd en vraag hen om
mets. Ze benijden me, om-
dat ik gelukkiger ben dan zij.
Het spijt me voor hen. Dat is
te bejammeren voor hen, maar
ik kan er niets aan doen.
121.
Le malade me demande du vin.
Il a vu que j'en avais; il a
dit: „Du vin? Ah! Donnez-
m'en, donnez-m'en, je vous
en prie. Je ne vous en demande
pas beaucoup ; je ne vous en
demande qu'un petit verre."
De zieke vraagt me om wijn.
Hij heeft gezien, dat ik wijn
had; hij heeft geroepen: „Wijn?
O, geef me wat wijn, als 't
u belieft. Ik vraag u niet veel,
ik vraag u maar een klein
glaasje."