Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

Si vous le lui avez dit,
dites-le-moi.
Il me l'a demandé, et je
le lui ai dit. Pourquoi le
lui cacher? Ce n'était plus
un secret pour personne
que lui. On me répétait
de tous les côtés : Dites-le
lui, ou ne le lui dites pas,
il le saura un jour. Alors
j'ai pensé: Autant vaut le
lui dire moi-même. Il lui
sera moins pénible de le
savoir de moi que du pre-
mier venu. Il a été furieux
d'abord, mais il s'y fera.
Maar hoe is hij het te weten
gekomen ? Wie heeft het hem
gezegd? Als jij het hem hebt
verteld, zeg het me dan.
Hij heeft er me naar gevraagd, en
ik heb het hem verteld. Waar-
toe het hem te verbergen? Het
was voor niemand een geheim
meer, dan voor hemalleen. Van
alle kanten zeide men herhaalde
malen tot mij: je kunt het hem
vertellen of niet, hij zal het
toch eens te weten komen.
Toen heb ik gedacht: Dan zeg
ik het hem maar liever zelf.
Het zal hem niet zoo pijnlijk
aandoen, het van mij te ver-
nemen, dan van den eerste den
beste. Hij was eerst woedend,
maar hij zal wel bedaren
(zich wel in de zaak schikken).
115.
Le beau livre ! Donnez-le-moi,
mon cher oncle, je vous en
prie. Je vous le demande
instamment.
Faut-il le lui donner ou non * ?
Si je le lui donne, il m'en sera
reconnaissant : il m'aimera ;
si je ne le lui donne pas, il
m'en voudra. Que me con-
seillez-vous?
Donnez-le-lui, ou ne le lui don-
nez pas, comme bon vous
semble. Faites-le ou ne le
faites pas, comme vous vou-
drez. C'est à vous de décider.
0, wat een mooi boek! Geef
het mij, beste oom! toe,
geef het mij. Ik verzoek het
u dringend.
Moet ik het hem geven of niet?
Geef ik het hem, dan zal hij
er mij dankbaar voor zijn:
hij zal van mij houden;
geef ik het hem niet, dan
zal hij boos op mij zijn. Wat
raadt u me?
Geef het hem, of geef het hem
niet, zooals het u goeddunkt.
Doe het of doe het niet, zoo-
als u wilt. U moet zelf be-
slissen.
■Sleer boel;enlaal is: Le lui donnerai-je ou ne le lui donnerai-je pas?