Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
110.
J'achèterai ce cheval : il me le
faut; je le veux. J'achèterai
aussi cette maison; il me la
faut, je la veux.
Pourquoi la veux-tu? Qu'en
feras-tu? Tu en as déjà une.
Tu n'en as pas besoin.
Si, j'en ai besoin.
Je ne t'entends pas.
Comment, tu ne m'entends pas?
Il me semble que je parle
assez haut pour être entendu
(pour me faire entendre).
Enfin je t'entends, mais je ne te
comprends pas. Pourquoi ce
cheval? Pourquoi cette maison?
Pour des raisons à moi connues.
Je m'entends; ça me suffit.
Que ce soit un secret, je le
veux bien; libre à toi (per-
mis à toi; à toi permis).
Mais j'aurais cru que tu me
le confierais, que tu te fierais
à moi.
Aussi je me fie à toi. Je te le
dirai un jour.
Autant vaut me le dire tout
de suite.
Soit. Je vois qu'on ne peut
rien te cacher. Je ne te
dirai que ceci. Il s'agit de
mon fils. Je n'ai que lui de
fils; je veux lui faire un
plaisir, lui ménager une
surprise.
Ik zal dat paard koopen; ik
moet het hebben; ik wil het
hebben. Ik zal dat huis ook
koopen; ik moet het hebben;
ik wil het hebben.
Waarom wil je het hebben ?
Wat zal je er mee doen?
Je hebt er reeds een. Je
hebt het niet noodig.
Ja wel, ik heb het wel noodig.
Ik versta je niet.
Wat, versta je me niet? Me
dunkt, dat ik luid (hard) ge-
noeg spreek om verstaan te
worden.
Ik versta wel, wat je zegt, maar
niet, wat je meent. Waartoe
dat paard? Waartoe dat huis?
Daarvoor heb ik mijn redenen.
Ik weet, wat ik zeggen wil,
en dat is me genoeg.
Als het een geheim is, houd
het dan voor je; dat staat je
vrij. Maar ik had gedacht,
dat je het mij zeudt toever-
trouwen, dat je vertrouwen
in mij zoiidt stellen.
Ik stel ook vertrouwen in je.
Ik zal het je wel eens vertellen.
Dat kan je het me even goed
dadelijk zeggen.
Goed. Ik zie wel, dat het niet
mogelijk is, iets voor je ver-
borgen te houden. Ik zal je
dit ééne slechts zeggen. Het
betreft mijn zoon. Ik heb
geen anderen zoon; ik wil
hem een genoegen doen, hem
een verrassing bezorgen.