Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
13(5 PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.

ne vois que toi, je ne pense
qu'à toi, je ne vis que
pour toi, et Ton veut me
priver de toi ? Hélas ! que
ferai-je sans toi? Dis-moi
que tu m'aimes, que tu
m'aimeras toujours, et que
tu reviendras bien vite me
consoler.
wereld, ik zie jou alleen, denk
slechts aan jou, ik leef slechts
voor jou, en jou willen ze (wil
men) van me scheiden? He-
laas! wat zal ik zonder jou
doen? Zeg me, dat je me
liefhebt, dat je me altijd zult
liefhebben, en dat je spoedig
zult terugkomen om me te
troosten.
109,
Qu'est-ce que tu as (qu'as-tu *) ?
Que veux-tu?
Je veux le voir.
Qui, le? (Qui, lui?)
Charles.
Que lui veux-tu?
Je veux lui parler.
Que lui diras-tu?
Tu me le demandes?
Oui, je te le demande. C'est
ce que je te demande.
Je ne te le dirai pas, mais à
lui, je le lui dirai bien (mais
je le lui dirai bien à lui). Je
ne te dis que ça.
Dis-le-moi, je t'en prie. Tu ne
veux pas me le dire ? Eh bien,
ne me le dis pas alors. Quant
à moi, je m'en moque. Moi,
ça m'est égal.
Et à moi aussi. Cela me regarde.
Tu te trompes ; cela me regarde
aussi; car je sais ce que c'est.
Qu'en dira-t-il?
Cela le regarde ; cela ne regarde
ni toi ni moi.
Wat is het? Wat wil je?
Ik wil hem zien.
Wie [is] hem?
Karei.
Wat wil je van hem?
Ik wil hem spreken.
Wat zal je hem zeggen?
Vraag je me dat?
Ja, dat vraag ik je. Daarnaar
vraag ik je juist.
Jou zal ik het niet zeggen, maar
hem zal ik het wel zeggen
(maar ik zal het hem wel
zeggen). Dat verzeker ik je.
Och toe, zeg het me maar. Je
wilt het me niet zeggen ?
Nu, zeg het me dan niet.
Ik voor mij lach er wat mee.
Mij kan het niet schelen.
En mij ook niet. Het gaat mij
alleen aan.
Je vergist je; het gaat mij even-
goed aan; want ik weet, wat
hetis. Wat zal hij er van zeggen?
Dat gaat hem aan (is zijn zaak),
dat gaat jou noch mij aan.
* Qu'est ce qtie iu as? is de gewone uitdrukking, qu'as-tu? is meer boekentaal
STORM, Fransche Spreekoefeningen. 2e druk. 8