Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
111
fait; c'est Henri; lui seul l'a
fait. Il l'a fait à lui seul.
C'est à lui de les payer.
Si ce n'est pas lui, c'est (ce
doit être) un d'entre eux. Eux
seuls peuvent l'avoir fait.
Eh bien, puisque vous ne voulez
pas l'avouer, il faut que vous
payiez tous votre part.
Sont-ce là les livres?
Oui, ce sont eux (ce sont
ceux-là).
maar Hendrik; hij alleen heeft
het gedaan. Hij heeft het ge-
heel alléén gedaan, moet
ze betalen.
Als hij het niet is, dan is het
(dan moet het) één van hen
(zijn). Zij alleen kunnen het
gedaan hebben.
Nu, daar jelui het niet bekennen
wilt, moet je allen je ' deel
eraan betalen.
Zijn dat de boeken?
Ja, dat zijn ze.
105.
Madame, le médecin vient vous
voir.
Faites[-le] entrer.
Êtes-vous la malade, madame?
Oui, monsieur, je la suis; c'est
moi qui suis la malade.
Êtes-vous malade depuis long-
temps ?
Je le suis depuis hier.
Êtes-vous bien malade?
Oh oui, monsieur, je le suis.
Je le suis beaucoup.
Je le crois. Je vois ce que
c'est. Dans quelques jours
vous ne le serez plus. Vous
êtes jeune et forte, et vous
le serez longtemps.
Si je suis guérie, c'est à vous
. que je le devrai.
Mevrouw, daar is de dokter.
Laat hem binnen [komen].
Is u de zieke, mevrouw?
Ja, dokter, [ik ben het;] ik
ben de zieke.
Is u al lang ziek?
[Ik ben het] sedert gisteren.
Is u erg ziek?
O ja, dokter, [dat ben ik], In
ben zeer erg ziek.
Dat geloof ik wel. Ik zie al wat
eraan scheelt. Over een paar
dagen zult u het niet meer
zijn. U is jong en sterk, en
u zal dat nog lang wezen.
Als ik genees, zal ik het aan
u te danken hebben.
106.
Ce médecin est très sûr de lui-
même , et très habile. Il le
Die dokter is zeker van zijn
zaak en zeer bekwaam. Hij