Boekgegevens
Titel: Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Auteur: Storm, Johan; Robert, C.-M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1892
2e Ned., herz. uitg.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8245
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201890
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche spreekoefeningen tot gelijktijdige beoefening van de spraakkunst en de gesproken taal: middelcursus
Vorige scan Volgende scanScanned page
VIL
Les pronoms per-
sonnels
Persoonlijke voornaam-
woorden.
102.
Charles J où es-tu?
Je suis ici, me voici (me voilà t)-"''^
Et Louis J où est-il?
Il est làj le voilà. Le voilà qui
vient.
Et Alice, où est-elle?
Elle est là, la voilà.
Les autres, où sont-ils?
Ils sont là, les voilà.
Vous autres, où êtes-vous?
Nous sommes ici, nous voici
(voilât).
Karel, waar ben je ^ ?
Ik ben hier, hier ben ik.
En waar is Lodewijk?
Hij is daar, daar is hij. Daar
komt hij.
En waar is Alice?
Ze is daar, daar is ze.
Waar zijn de anderen?
Ze zijn daar, daar zijn ze.
"Hei,] waar ben jelui
We zijn hier, hier zijn we.
103.
Qui va là?
Moi.
Qui est-ce?
C'est moi.
Qui, moi? (Qui, toi?)
Louis.
Ah, c'est toi?
Moi-même [en i)ersonne, en
propre personne]. Ne me
connais-tu pas?
Wie [is] daar?
Ik.
Wie is het?
Ik ben 't.
Wie [is] ik? (Wie [ben] je?)
Lodewijk.
O, ben jij 't?
Ja, ik [in eigen persoon, in
'levenden lijve]. Ken je me
niet?
VerVjondene en niet verbondene voornaamwoorden worden hier te
zamen behandeld.
t In de omgangstaal wordt voilh in plaats van voici meer en meer gebruikt.