Boekgegevens
Titel: De rattenvanger van Hameln: sprookje voor kinderkoor
Auteur: Schim van der Loeff, H.P.; Milligen, S. van
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7988
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201832
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten), Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rattenvanger van Hameln: sprookje voor kinderkoor
Vorige scan Volgende scanScanned page
IIL IN HET ONDERMRDSCH PALEIS VIN DEN RiTTENVANGER.
Allen.
\Vy kunnen niet langer, wij ziin. ach, zoo mo6;
Dat dansen en springen, dat juichen en zingen, waartoe
Hij ons dwingt met zijn ijzeren roe ,
Dat maakt ons zoo inoè. zoo moè.
Eenigen.
Zegt, wilt eens luist'ren,
Maar laat ons fluisteren.
Want mocht die man ons eens verstaan,
Dan was 't gewis met ons gedaan.
Halfkoor.
Wij droomden van nacht weer zoo heerlijk van huis.
,,Waar zijt gij toch, kind'ren. ach, komt toch weer t'huis"!
Zoo hoorden wij vader al weenende vragen,
Zoo hoorden wij moeder al snikkende klagen.
Eenige jongens.
Wij hebben van Gottfried gedroomd dezen nacht,
Gij weet wel ons broertje, hij zeide zoo zacht:
,,Och, of gij maar allen als ik had gedaan,
Ach, hadt gij geweigerd om mede te gaan!"
Alle meisjes.
Ons is de getrouwe Eckart verschenen,
„Ik zal u," zoo sprak hij, „mijn bijstand verleenen,
'k Zal Gottfried u zenden om u te bevrijden,
Houdt moed maar, 't is weldra gedaan met uw lyden.'*
Allen.
Houdt moed !
Wij zijn toch zoo moê!