Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
6 Iets over den schrijver en zipi dichttrant.
te beoonleelen, zoolang hy met den schrijYer niet eenigermate heeft ken-
nis gemaakt.
Gerrit van de Linde Janszoon werd op den twaalfden Maart 1808 te
Rotterdam geboren, uit Jan van de Linde enHesterde Vooys, wiereenig
kind hy was. Reeds op zeer jeugdigen leeftijd onderscheidde hy zich door
vlugheid van bevatting en levendig vernuft, maar inzonderheid door het
gemak en de netheid, waarmede hy zich, 't zij mondelings, 't zij schrifte-
lijk, wist uit te drukken. Van zoo ver 't hem heugde washy een bemin-
naar en beoefenaar der poezy. Van dit laatste zouden nog enkele vruch-
ten uit dien tijd kunnen getuigen, onrijpe vruchten zoo men wil, doch
een verkwikkend ooft voor de toekomst beloovende. Als aankomende
knaap had hy in zijn geboortestad reeds eenige vermaardheid verworven,
en werd hy niet zelden uitgenoodigd, op letterkundige genootschapsver-
gaderingen »bijdragen*' te leveren, wat hy doorgaands met groote toe-
juiching deed. Immers zoo hy al geen meesterstukken ten gehoore bracht,
do leiding, welke hy aan zijn frissche en buigzame stem wist te geven,
de bevallige gepastheid zijner gebaren, zijn smaakvolle voordracht in één
woord, aan een innemend voorkomen gepaard, zouden ook zelfs slecliter
vaerzen dan de zijne met welgevallen hebben doen aauhooren.
De ondervinding heeft voorlang geleerd, dat al wie een waren of ver-
meenden aanleg voor de poezy bezit, ook al groeit er naderhand uit hem
een Molière of een Focquenbroch, met het maken van ernstige gedichten
begint. Dit moge oppervlakkig vreemd schijnen; daar men van het kind,
zelfs van den knaap, veeleer by voorkeur vrolijke, dartele liederen ver-
wachten zou. Doch by eenig nadenken zal men erkennen, dat er in het
aangevoerde feit niets is, dat verwondering behoeft te wekken. Juist omdat
de gewone kring, waarin de knaap zich beweegt, die der blijheid en
luchthartigheid is, heeft hy een gevoel als of die geheimnisvolle sfeer
der poëzy, waarheen hy zich begeven wil, een geheel andere, veel ver-
hevener waereld is dan die waarin hy zich beweegt, en alsof daarom
ook do taal, welke zij ingeeft, zoo min mogelijk moet geljjken op die,
welke hy gewoon is te spreken. Bovendien, hy blikt met zijn jeugdige
oogen reeds terstond naar den tempel des roems: hij is op dien leefrijd,
waarin men aan niets twijfelt: hy wil een Homerus, een Vondel word(;i],
en hy begint maar terstond met het moeilijkste, een epos of een tragedie.
Maar hierby komt nog iets. De jeugdige geest moge vatbaar zijn om hot