Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
71 , Natuurlijke historie voor de jeugd,
DE OLIFANT.
»Onze wieg/' zegt een Oostindisch Olifant,
»Staat gewoonlijk in ons geboorteland,
»Net als die van mijn Afrikaanschen bloedverwant,
»En we zijn beiden twee beesten uit den deftigen middelstand;
»Want aan edele leeuwen^ tijgers royal, en adelijken in dien trant,
»Heeft men in onze famielje reeds van kindsbeen af het land.*'
— Als of een naturalist,
Die zijn vak kent, dit niet wist! —
»Waarschijnlijk," vervolgt hy, womdat wy op de jacht
»Wel eens door hen worden omgebracht,
»En hen dus niet van de voordeeligste zij leeren kennen*
Gelukkig, o jeugd I dat wy dat niet bennen!
Als een olifant een ijsbeer of gild-os ontmoet.
Vraagt hy doorgaands aan Van Aken, »Wat is dat voor kleingoed?"
Omdat hy zelf zoo groot is; want op zijn voorzaten zag men, in vroeger
tijden.
Immers heele krijgsbenden in een kasteel naar 't leger rijden.
Doch niets, helaas, is bestendig op aard:
Diezelfde krijgslui rijden thans meer te voet of te paard!
Zoo men aan den schijn alleen het oor wou leenen,
Vroeg men licht: »Heeft menheer het water ook in de beenen?
»Want waar is eigentlijk 't onderscheid tusschen zijn kuiten en zgn
scheenen
»Doch," antwoordt de opzetter van *t kabinet te Weenen,
»Hy scharrelt er met allebei toch nog al kras overheenen,
»En dat in een Oostindisch moeras,
»Weêr of geen weer, door 't hemelhoogste gras:
»Of 't iemand van menheer Van der Hoop zijn harddravers waa;
»En toch betaalt hy jaarlijks zeker
>Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stadsapteker»"*
Doch niet alleen is een olifant