Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
De schipbreuft. 31
Vijf voet vijf als hy zijn schoenen uit had, zonder jokken,
En meer of min begaafd met de kinderpokken,
Hy hield byzonder veel van jenever, alsmede van tabak,
Dien hy, in den vorm van een pruim, achter zijn kiezen stak.
Overigens was hy op zee gewonnen en geboren,
Waar reeds zijn grootvader in een veldtocht een houten been had ver-
Hy kon vloeken voor drie, en zag aan het linkeroog wat scheel; loren.
Maar wanneer hij sliep, merkte men dat juist niet veel.
— Doch, om nu tot ons verhaal te rotourneeren.
Of, in zuiver Hollandsch gezeid, terug te keeren.
Men kon een speld in 't water hooren vallen, en de Oceaan
Was zoo glad en blinkend als een geschuurde schuimspaan.
Maar, juist als men in de Schipbreuk van de Medusa ziet vertoonen.
Waarvan ik op *t Leydsche plein de representatie eens by mocht wonen.
Daar verandert nu het tooneel en een zware storm verschijnt.
Waarop de zon, en tevens de kleur van den kapitein zijn gelaat verdwijnt,
Die er thands zoo bleek uitziet, als of hy in de maan
Eigentlijk zijn stuurmans-examen had gedaan.
De lucht wordt integendeel zoo zwart als een moriaan,
Terwijl de zoute golven beginnen te brullen als een paar leeuwen.
En verschillende zeevogels, vergezeld van dolende meeuwen.
Hun geluid met dat der zuigelingen mengen, die thands overluid schreeuwen
In plaats van, als zy te voren deden, van honger te geeuwen.
De Oceaan, zonder er doekjens om te winden,
Staat op het punt, het schip met man en muis te verslinden,
leder verschuilt zich nu in do masten of op het dek ;
Want in het hol is de pomp verstopt en het vaartuig lek.
De Kapitein stelt zich in postuur, kucht, rochelt, en spreekt: »met uw
respek,
»Scheepsvolk, reisgezellen, heeren en dames en verdere natuur- en ambts-
genooten,
»Wy zijn op de flesoh, ik zie er geen gat in en mijn kruit is verschoten.
»Onze eenige uitkomst zit hem nu nog alleen in de booten." stild,
En naauwlijks heeft hy met deze geruststellende toespraak hen wat ge-
Of de groote mast met het vooranker worden door den storm over boord
Het boeganker dobbert op de baren, en het gandsche schip getild.