Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hrneve van dichterlijke vlucnc. 27
In teed're omhelzing neer. Hun beider zielen vloeien
In duizend kussen zaam, de teedre kaken gloeien,
De boezem hijgt naar lucht, de Min grijpt pijl en boog,
En Amora lustprieel ontvoert hen aan elks oog.
Slechts Juno slaat hen ga van hooge hemelstreken,
En zweert dien smaad op 't kroost der reine maagd te wreken:
Ja Juno, bleek Tan spijt en zwart van jaloezij.
Zwoer eeuwig onheil aan Latones kind'renrij.
Had haar in 't eeuwig Niet den moederband doen slaken,
Zoo God Neptunus niet, van medelij aan 't blaken,
Haar schoot bewaard had voor deez* bloedige offerand.
En lieflijk dons gestrooid langs Delos oeverstrand.
Dit kwam do Droomgod reeds Latoon te kennen geven.
Toen d'ongeboren telg noch aanzijn had noch leven,
En, onontwikkeld nog, in 't moeder-ingewand,
Reeds Juno's haat betreurde en aangewreven schand.
Meld, Zangster I op den toon voor u alleen geboren,
Al wat de Droomgod eens aan vrouw Latoon deed hooren:
Ontkerker 't vleuglenpaar, dat aan uw schoudrcn prijkt.
En met hot smijdig goud van Pindus is verrijkt:
Vaar buld'rend naar omhoog en schud de hemelsfeeren:
Laat geen Syrenenzang u meer naar d' aard doen keeren:
En pluk van 't firmament het drijvend stargesteent.
Waaraan voorwetenschap haar Hemelluister leent:
Opdat wy hooren en omvatten, ja aanschouwen,
W^at Morpheus raadseldroom aan Leto kwam ontvouwen;
Ja, voer ons, aan zijn zij en hangend aan zijn hand,
Naar 't somber voorportaal van Leto's ledekant.
Het tripplend veldmuzijk der waternimf-najaden,
Kwam zich in luchtpriëel van 's afgronds ether baden.
En zwom de heuv'len langs en berg-vallei en krocht.
Terwijl 't koralen oog, het zwevend aardrijk zocht.
't Aanschouwt het, maar van ver, en, hupp'lend onder 't zweven,