Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hrneve van dichterlijke vlucnc. 24
De vastgestelde maat der trippelende voeten;
Daar trommel, mandolijn, viool en herdersfluit
't Muziek weergalmen doen, dat op do wolken stuit!
De Dondergod, ontroerd en tot in 't hart bewogen,
Bespeurt een wond'ren trek, en staart, met golvende oogen
En vonkelende borst, het hupp'lend schouwspel aan,
Verscholen op een tak van olmboom en plataan.
Zijn wenkbraauw volgt den zwaai dier teng're boschkoralen,
En krimpt of zet zich uit, naar *t rijzen of naar 't dalen
Der snelgewiekte voet, die langs den bodem zweeft,
Terwijl het lispend koeltj' in 't zedig keursjen beeft.
Ééne, onder allen, weet zijn lust het meest te woleken:
tls blonde Leto, telg van Geils, in wier trekken
Het hemellachjen speelt, dat langs haar wangen stoeit,
En met een rozendauw de sneeuw dor kaak ontgloeit!
Ja, *t is of Phebé zelv' herleeft in haar Latone:
Do dochter des Titaans schijnt dochter van Dione.
Haar blaauw en kwijnend oog schiet gloênde blikken rond,
En hagelwit ivoor siert d elpenbeenen mond I
Het schittrend lip koraal en 't goud der zijden wangen,
*t Schijnt al geschapen om den kus der min t* ontfangen
Terwijl haar blozende arm, met lieflijk dons omzet,
Het zweet van hoofd en hals met zachte drukking net.
Hy ziet haar, en, op eens van felle liefde dronken,
Voelt hy zich 't hart verschroeid van d'uitgeschoten vonken,
En zweert, daar woeste drift zijn schedel zwellen doet,
Dat hy verwinnen zal of sterven aan haar* voetll
Gy, Dichtkunst! hemeltelg, in hooger sfeer geboren,
Met Ether-walm gevoed! die langs d' onmeetbre sporen
Des dampkrings, die deze aard omvangt en scheidt van 't niet,
De toekomst en *tgeen was, met éénen blik doorziet!
O meld, kan 't zijn, my 't lot der huppelende schoone,
En wat Jupijn ontwierp by 't aanzien van Latone!
Het zwevende vermaak had brein en boBst verhit,