Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hrneve van dichterlijke vlucnc. 23
Tot hora het tweespan stoort, dat door den slagboom breekt.
En hy, by Phebus komst, van schrik geheel verbleekt.
Dien Phebus zing ik thans op onverlamdo snaren:
Hem, aller dichtVen roem, maar moeilijk te evenaren!
O Dagvorst! Neem mijn lied in fiere omarming aan.
En prijk het naast uw' zij aan 's hemels starrenbaanI
En gy, Homeer: Juweel der dichtende Hellenen,
Die met uw* Orpheus-lier zelfs harten maakt tot steenen,
En, als uw poez'le hand de gouden dichtpen vat.
De waarheid eert, ten spijt van 't g^ijs Historie-blad!
Die Hector 't strijden leert, en held Aohil 't verwinnen!
O witbesneeuwde bard 1 O vriend der zanggodinnen!
Verstoot mijn dichtwerk niet, maar streef het, fier en blij,
Op vleug'len van azuur uw' Ilias voorby!
De laatste ster bezweek by 't eerate morgendagen;
Do moêgewaakte nacht verliet haar nevel-wagen.
En trok, door 't licht verrast, haar vale wieken in
Amoon en roos ontlook, de vlugge zangerin
Begroette veld en woud in 't vrolijk boschgeschater,
Al dartelend gehuwd aan 't kristallijn geklater
Van 't schuld'loos beekjen, dat langs 't spiegelgladde diep
Van *t bergmoeras gedaald, door bosch en heuvel liep:
Als Jupiter, vermoeid in Juno's arm te rusten.
Haar' kuischen schoot ontsnapte en d'esmerauden kusten
Van 't hemelsche paleis; en tuk op andrer min.
Het zoet begeeren dorst der vreemde bedvriendin!
Hy naakt, waar d'afgrond d'aard behoedt voor nedervallen,
En in zijn rotskloof stut met meer dan duizendtallen
Van zuilen, uit metaal en forsch arduin gesmeed,
En met het zwevend stof van 't eeuwental omkleed.
Hy hupt de bosschen rond en blozende valleien,
Waar 't herderinnen tal, in vrolijk spelemeien.
Den blonden herder kust, en koost, en tiereliert,
En in den luchten zwaai der huppeldansen zwiert.
Het draaiend orgel stuurt, by 't wederzijdsch begroeten