Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Afgeluisterde tweespraak, 161
FIDEL,
Well dat is heel netjens
Voor menschen, die op *t ontbijt houden van warme cadetjens
VAN RIJN.
Ja, maar 't is goed dat men niet altijd weet
Wat men eet.
Hoe veel kinderen heb jy nou ?
FIDEL.
Ik heb er Goddank elf.
VAN RUN.
Ëlfl wat zeg je?
FIDEL.
Ja, en mooie Koezen, al zeg ik het zelf.
Den oudsten durft geen hondenslager aan,
En de twee jongsten zijn als cadet naar zee gegaan,
Zonder tractement, 't eerste jaar op de beenen;
Doch zy krijgen lever en pens als het tweede is verschenen.
Enfin, is altijd een begin;
Want je begrijpt, met een talrijk gezin,
Stuurje ze zoo goed als het valt de waereld in.
VAN RIJN.
Zijn ze niet een weinig van 't hondtjen gebeten?
FIDEL,
Dat mag wel zoo; maar ik zou wel eens willen weten
? Wat Kees het niet is. Intusschen, wie heeft je dat gezoid ?
VAN RIJN.
Gezeid, is het my; maar ik weet niet meer by welke gelegenheid,
En of hot de hond van De Witt was of van De Groot: