Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
Afgeluisterde tweespraak, 158
VAN RIJN.
Dat doet zy; vooral sedert het crepeeren van Maartjen Mop,
Dat was een bitter sterfgeval en 't heeft ons allen zeer gespeten.
PIDEL.
Wel, denkje dat het my niet heugt? Ik heb immers nog op 't begrafe-
nismaal aangezeten,
En mede van die smakelijke varkenspootjens gegeten.
Wat zal ik zeggen? Wy zijn allen sterfelijk ;maar't was altijd mijn leer.
Men moet zich niet toegeven aan al dat gelamenteer.
Vertel my liever eens, hoe vaartje nicht, het smousjen van den bakker?
VAN RIJN.
Heel wel, maar 't kind wordt 's morgens al te vroeg wakker
Met builen.
FIDEL.
Je meent, builen om brood?
VAN RUN
Ja, ofschoon het zich nu en dan ook wel andere builen stoot
Je zou 't schaap niet meer kennen. In plaats van geel
Is 't wit.
Hoe datr
Net als alle kindren.
FIDEL.
VAN RIJN.
Wel, ja, van het stoeien in 't meel,