Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
14 Iets over den schrijver en zipi dichttrant.
sehen hen beiden bestaat echter daarin, dat de groote Hoogduitsche hu-
morist meer met een bepaald doel schreef, terwijl Van de Linde alleen
den gril van zijn verbeelding volgde: dat Heine vele afgewerkte en afge-
ronde stukken geleverd en zelfs in zijn fragmentarische vaerzen een on-
miskenbare eenheid van gedachten bewaard heeft, terwijl by Van de
Linde noch het een noch het ander het geval is: dat Heine maar nu en
dan van die bokkesprongen maakt, waar aan Van de Linde zich van 't be-
gin tot aan het einde toegeeft, zonder ooit vermoeid te zijn: dat einde-
lijk uit Heine bestendig de spottende, aan alles twijfelende filozoof, de
liberale denker, de Hoogduitsche Franschman spreekt; terwijl Van de
Linde zich nimmer op het terrein van den godsdienst waagt, de politiek
van den dag doorgaands onaangeroerd laat, en — zijn reeds genoemde
schampscheuten tegen de Keezen daargelaten — zich nimmer eenige dan
dood onschuldige, niemand kwetsende scherts veroorlooft.
En nu in de tweede plaats, wat den vorm der gedichten betreft, ook
hierin onderscheidt zich Van de Linde van al wie heden ten dage Hol-
landsche vaerzen schrijft. Ik zeg: heden ten dage; want vroeger, toen
aan onze schouwburgen een bepaling bestond, waarby geene stukken
werden toegelaten, dan die op rijm waren, vergenoegden zich zy die
voor het tooneel werkten, en *t vaerzenmaken niet verstonden, in berijmd
proza te schrijven. Maar sedert die regel is afgeschaft en hy die geen
lichter is even goed in 't rijmloos mag schrijven, durft zelfs geen karre-
mans- of straatpoëet afwijken van de voorschriften der prozodie : of, ont-
breekt aan hun vaerzen soms een halve voet, *t is een gevolg van on-
kunde en zorgeloosheid, niet van onwil of opzet. Maar vrijwillig en met
opzet bevrijdt zich Van de Linde in de meesten zijner gedichten van de
slavernij van 't metrum. Niet, dat hy buiten staat was, vaerzen te schrij-
ven, die aan al de eischen voldeden, welke zelfs een Pels zou hebben
kunnen wenschen. In tegendeel zal men in don hier achter volgenden
bundel een aantal gedichten vinden, die men, wat den vorm betreft,
als echte juweeltjens kan aanmerken. Maar hy was van oordeel, en ik
geloof te recht, dat in de dichtsoort, welke hy zich ter beoefening koos,
vorm en inhoud moesten overeenstemmen, en dat gene niet deftig en
afgemeten behoorde te zijn, wacaesr deze louter scherts en divagatie
was: en hy zoü deze zijne meening hebben kunnen rechtvaardigen met
het voorbeeld van den ^eestigen dichter der Jobsiade: welke boertige