Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
De terugkomst van den zomer, 100
Nu mag do mensch weêr met zijn hond uit zwemmen gaan,
Of zich verdrinken zoo zy 't zwemmen niet verstaan.
Nu ziet men 't vlooienvolk weêr bhj zijn huwhjk vieren
En 'tmenschdom plagen mot hun angels, vreesbre dieren.
Zich nestiend in ons hair of tusschen hals en kraag
Of in de kniebocht of in 'tkuiltjen van de maag
En iemand stekend, dat hy tureluursch en gek wordt,
Zijn lichaam zwelt en rood als versch geschilderd spek wordt;
Waarop hy *t springend vee met duim en vinger knipt,
Ten zij 't gezegde vee hem juist by tijds ontslipt. —
Nu hoort men dikwijls: »kom! 't heeft eindlijk uitgeregend,
lik heb geen paraplui to dragen : dat 's gezegend." —
Zoo spreekt men en gaat uit in 't zonnig middaguur
Doch komt weêr t'huis, doorweekt gelijk een kinierluur.
Nu ziet men doorgaans twee uit wand'len gaande minnen.
Elk met een telg bezeuld, al 'tmooglijke verzinnen
Met dot of riügolbel, om 't schreeuwend min-verdriot
Den mond te stoppen in de warmte: — 't baat haar niet
Hoe meer ze tobben met die ongespeende leeuwen,
Hoe meer heur zooggebroed de buurt by een zal schreeuwen.
Nu legt men 's avonds vaak 't flanellen borstkleed af
En staat verwonderd, dat men 's morgens ligt in 't graf,
Ja, menig Vader gaat uit wand'len met zijn kindVen,
Die op zijn toonen staan, zijn exteroogen hind'ren,
De panden scheuren van zijn stofjas, on, als dol,
Zijn vest bezoedlen mot hun vuilen krullebol,
Doch d'oorsprong van hun zijn blijft in zijn lot gelaten.
Zijn *t niet zijn kinderen, zijn na- of achterzaten V
is niet zijn eigen bloed, dat op hun wangen bloost?
En is hun moeder niet do moeder van zijn kroost ?
»Een kinderlooze alleen heeft recht, zich soms te belgen,
»Als op een wand'ling hij geplaagd wordt van zijn telgen."
Zoo spreekt de vader-filosoof, daar de oudste zoon
Inmiddels mislijk wordt, als 't rooken niet gewoon.
En 't jonger broederpaar, by 't vogelnest-veratooren,
Op minst twee derden van zijn broeken heeft verloren. —