Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
De morgenstond. 105
(Ik meen hier natuurlijk geen legerscharen,
Als die van Prins Maurits of vFijlen Z. M. Willem II waren,
Maar legers van veeren, zeegras of varen):
Want 's morgens is toch waarachtig
De dageraad al byzonder prachtig.
De dageraad vertoont ons verscheiden soorten van water,
Van de murmelende beek af tot aan de sluis of katerakt met deszelfs
geklater.
Mitsgaders slooten en vijvers, en zelfs gantsche rivieren,
Vol van veelsoortige hombaars en andere lekkere dieren.
Of, zoo men 's morgens eens naar 't zeestrand wil gaan,
2iet men daar, in eigen persoon, den grooten Oceaan,
Met deszelfs opeengestapelde golven.
Waarin, naar men beweert, meer dan één Oostinjevaarder ligt bedolven.
Of zijt gy integendeel meer gesteld op wilde beesten en hout,
Dan noodigt u de dageraad naar een door de maan beschenen woud,
Waar 's morgens bloeddorstige tijgers en ontaarde leeuwinnen
Derzelver middagmaal met eon ontbijt van verslonden reizigers beginnen;
Terwijl vernuftige papegaaien en apen niet schroomen
Het edel menschenpaar na te doen in de boomen.
Hy, die dit alles zonder aandoening ziet,
Verdient den naam van fatsoenlijk man toch niet.
Of wilt gy soms liever eens naar de boerdery toe? — koomi
En sla 's morgens met my acht op de melk en den room.
Mitsgaders op die kalf-, vare- en andere koeien,
Die respectievelijk 't melkuur zitten tegen te loeien;
En op dien keeshond, die bedelaars en dieven verjaagt,
En die 's zomers zeer door de vliegen wordt geplaagd:
Terwijl de nooste huismoeder, zelfs vóór den ontbijt,
Zeer dikke boterhammen, die zy stikken noemt, snijdt.
Of, gesteld zy een zuigeling beeft.
Aan ZED. de moederborst of een lepel pap geeft.
Wie 's morgens by dit alles nog ongeroerd kan blijven,
Moest onder zijn hart maar liever straatsteen schrijven
Doch wilt gy van hier nog elders heen? Welaan!
Laat 01^s dan terstond naar den moestuin gaan: