Boekgegevens
Titel: De gedichten van den Schoolmeester
Auteur: Schoolmeester, de; Lennep, J. van
Uitgave: Arnhem, Nijmegen: E. & M. Cohen, ca. 1900 *
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7995
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201826
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De gedichten van den Schoolmeester
Vorige scan Volgende scanScanned page
^ Eerste les in de Geographie. 100
Zoo b. v. is Asia een heel oud heer.
En Europa is ook zoo jeugdig niet moer,
En de twee eerstgenoemde zijn kinderen,
Die de oude lui nog wel eens vry wat konden hinderen.
Ik maak u vervolgens attent
Op 't onderscheid tusschen een zee en een continent;
En kinderen uit den boerenstand mogen wel observeeren,
Dat men voor als nog geen boerenwagentjens op zee kan probeeren,
Ten zg men er eenig ander voorwerp onder zet,
Als b. v. een koopvaardyschip of een stoompaket.
Ook zou ik niemand durven aanraaien
Om uit zwemmen te gaan met de haaien;
Doch in het uit poieren gaan met oen Leyenaar
Ziet de Geographie geen gevaar;
Vooral zoo zijn boot
Op *t droog zit in een sloot. —
Voorts zijn er ten minste nog twee Polen,
En verschillende mijnen voor goud en kolen.
En hier en daar een vulkaan.
Die iemand, die 't niet zien kan, verstomd doet staan,
En de groote zandwoestijn,
Waar geen ordentelijk reiziger op zijn gemak kan zijn.
Behalve kameelen en enkele boomen.
Die er van hun vroegste jeugd reeds gewend zijn te komen.
Dewijl ik by deze eerste les van uw geduld niet te veel wil vergen.
Zal ik nu nog maar alleen gewach maken van de bergen,
Die her- en derwaarts verspreid zijn over onze ondermaansche aard,
Ofschoon de ontmoeting van een her-berg doorgaands het meeste genoe-
gen baart.
Ik zeg, ontmoeting; doch dit is maar by manier van spreken;
Want dat een berg zou wandelen, is my nimmer gebleken.
Of hy moest het hinkende doen, dat ging misschien nog goed,
Want volgens Van Wijk Roelantszoon en Cuvier heeft een berg toch al-
tijd een voet;
Maar anders blijft hot by 't geen de geologen van ouds bewéeren,