Boekgegevens
Titel: Eerste honderdtal leerzame verhalen voor kinderen: een leesboek voor de scholen
Auteur: Schmid, Christoph von
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1871
[S.l.]: J. de Vries en zoon
[Herdr.]
Opmerking: Vert. van: Lehrreiche kleine Erzählungen für Kinder. - Bdch. 1
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7922
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201803
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste honderdtal leerzame verhalen voor kinderen: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
MBMM
De kleine jan van den jager, die juist uit het bosch
Iwam, vroeg hem medelijdend: i/Pbans! waarom weent
gij?" En FEAN3 antwoordde: ;/Achl ik heb zoo even
eene afschuwelijke pad gezien, die onder dezen struik
kroop." — //Foei," riep nu jan, »hoe kunt gij zoo dwaas
zijn, om over zoo iets te weenen?"
Maar feans antwoordde: »Toen ik de pad zag, dacht
ik: »Dit dier is zoo leelijk, kruipt met moeite over den
grond, wordt door elk vervolgd, weet niets van zijn'
Schepper en brengt het grootste gedeelte van zign leven
in slijk en donkere gaten door, tot het eindelijk ver-
gaat. En gij," zoo zeide ik tot mij zeiven, »gij hebt
eene rechtopgaande menschelijke gestalte en het schoone
menschelijke aangezicht; gij kunt ongehinderd rondgaan,
hemel en aarde beschouwen en u verlustigen in het zien
van gras en bloemen; gij kunt uwen Schepper kennen
en dienen, en bezit eene onsterfelijke ziel. En evenwel
hebt gij Hem nog nooit hartelijk voor al deze voorrech-
ten gedankt." Deze gedachte smartte mij' zoo zeer, dat
ik weenen moest."
Jan werd door deze woorden zeer getroffen en vergat
die nooit. Töen hij reeds een grijsaard was, verhaalde
hij ze meermalen aan zijne kleinkinderen, en voegde er
nog bij: »AI waren de leelijke dieren ook nergens anders
toe dienstig, zoo kunnen zij ons toch tot leering zyn.
Zy leeren ons namelijk, onze voorrechten als menschen,
waarmede God ons als zijne voortreffelijkste schepselen
op aarde versierd heeft, hooger en beter waardeeren.
De mensch, zoo rijk begaafd door God,
Waardeere steeds, dat heilrijk lot.