Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
HORIZONTALE VORM VAN VOOK-INDie. § 22. 81
gende windstelsels en stroomingen der zee. Daarom was Voor-
Indië van oudsher het schitterendste doel der veroveraars en volk-
planters, het middenpunt voor de karavaantogten der meest ver-
schillende natiën uit het westen, noorden en oosten van Azië, zoo
wel als dc plaats van bijeenkomst der zeevaarders uit Oost-Afrika,
Zuid- en Oost-Azië, in den nieuwereu tijd vooral uit Europa (en
zelfs uit Amerika), in het algemeen het punt vau uitgang voor een
grootsch verkeer tusschen de geheele wereld, terwijl de Indiër,
in het bezit van alle natuurgaven zijns werelddeels en in het be-
wustzijn van den rijkdom zijns geboortegronds, nooit den vader-
landschen bodem verliet. In den jongsten tijd heeft deze stand nog
verbazend in aanzien gewonnen, naardien door de stoom-zeevaart
de geheele Indische wereld, van den mond der Arabische golf tot
aan de Philippijneu, niet meer „aan het einde der wereld" ligt
maar is verplaatst geworden naar het midden van het groote ver-
keer met de geheele aarde.
Horizontale vorm.
Bij deze belangrijke ligging op de aarde past de groote uitge-
breidheid van den vlakte-inhoud van Voor-Indië (69 000 Q
mijlen), want het loopt door 25 graden breedte (buiten Ceylon)
en door even zoo veel lengte. De gedaante van die schiereilan-
den gelijkt, wanneer men rekent tot aan het brongebied van den
Indus en zijne zijrivieren, op een geschoven ruit, die zich ge-
makkelijk laat verdeelen in twee bijna gelijkbeenige driehoeken
nfet eene gemeenschappelijke basis, welke van de monding van
den Indus tot aan die van den Ganges loopt. De beide driehoeken
strekken zich van deze basis in tegenover gestelde rigting uit,
zoodat het toppunt van den eenen aan den Boven-Indus, dat
van den anderen op kaap Comorin ligt. De een bevat de kon-
tinentale, de ander de in zee uitloopende helft van Indië.
De hoogte van beide driehoeken te zamen gerekend (van den Boven-
indus tot aan kaap Comorin) is gelijk aan den afstand tusschen Napels
en Archangel (400 mijlen), de basis aan den afstand tusschen Bayonne
en Konstantinopel (330 mijlen). De inhoud van beide driehoeken verschilt
weinig; de noordelijke, grootere (34 700 mijlen) zal driemaal zoo groot
ziju als Oostenrijk; de zuidelijke, kleinere (30200 □ mijlen) is driemaal
zoo groot als Frankrijk; beide te zamen bevatten ongeveer twee derden
van Europeesch Rusland.
PÜTZ, VERGEL. AARDK. 6