Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERGEL. V. D. HIMALAJA MET H. EUROP. ALPENST. § 19. 65
eeue westelijke groep (van de dwarsche doorbreking van den
Indus naar den Pengab tot aan het brongebied van Indus en Gan-
ges), eene middenste of Centraal-groep (tot aan de rivier
Tista, in het land Sikkim), en eene oostelijke groep (tot aan
den Brahmapoetra). Even als het Europesclie Alpenland verheft
zich ook de Himalaja het hoogst in zijne middenste groep; daar-
entegen is in de Europesche Alpen de oostelijke groep lager dan
de westelijke, terwijl omgekeerd in den Himalaja de hoogste top-
pen van de oostgroep die van de westgroep ver overtreffen. De
hoofdrigting van beide bergketenen gaat in een halven cirkel
van 't westen naar 't oosten, maar met dit onderscheid, dat bij de
Europesche de boog naar het zuiden, bij de Aziatische naar het
noorden open is. Vóór beide ketenen ligt aan de noordzijde een
uitgestrekt gebied van bergen, bergvlakten en dalen, terwijl de
helling in de warmere streken van het zuiden veel sneller en
steiler is; nogtans liggen voor den rug van den Himalaja in
't zuiden verscheidene rijen van lagere bergen, zoodat eene reeks
van (meestal vier) terraslandschappen den overgang vormt tot de
volkomene vlakte. De passen, die over de hooge ruggen voeren, zijn
in Europa talrijk en gedeeltelijk zelfs voor rijtuigen geschikt, in
den Himalaja zeldzaam en hoogst moeijelijk. Het Alpengebergte
in Europa is niet alleen een randgebergte van een tafelland, maar
het heeft twee hoofd-hellingen en dus twee kuituurzijden, daar
het den waterschat even zoo goed naar 't zuiden als naar 't noor-
den, en zelfs het sterkst naar het noorden zendt, terwijl het groot
getal van sterke stroomen, die hun ontstaan en voeding aan de
verbazende sneeuwmassa's van den Himalaja te danken hebben,
*maar ééne rigting volgt, en wel zoo bepaald, dat zelfs zij, die op
de noordzijde ontspringen, door het gebergte breken om hunne ga-
ven aan het warme zuiden te schenken, een toestand, dien in het
Europesche Alpenland de Rhone en op eene eenigzins verschillen-
de wijze de Donau vertoont. Meer dan de Aziatische Alpenwe-
reld schijnt de Europesche in groote verscheidenheid, en wel op
beide zijden van de hoofdketen, het sieraad te hebben ontvangen
van heerlijk begrensde Alpenmeren ter zuivering van de woeste
bergwateren. De Himalaja is niet enkel door zijne hoogte, maar
ook door zijne woestenijen en verschrikkelijke wildernissen veel
ontoegankelijker dan de Alpen. Een der meest in oog loopende
verschijnselen in den Himalaja, en dat hem ook werkelijk van het
Europesche Alpengebergte doet verschillen, is, dat op de zuidelijke
helling de grens van den plantengroei zich niet tot die hoogte uit-
PÜTZ, VERGEL. AAKDR. 5