Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
Öi KLIMAAT EN BEWERKT. NATUUR IX ZUID-AZië § 16.
Klimaat en plantengroei der laagvlakten
en kustlanden.
In Indië werken tropische warmte, de voclitigheid van de zee
en eene bij uitstek rijke kontinentale besproeijing te zamen, om den
plantengroei tot den hoogst mogelijken trap op te voeren. Alleen
de steppe op'den linker oever van den Indus is eigenlijk onvrucht-
baar land; maar de tuin van Indië is Beneden-Bengalen, waar de
voortdiu-ende besproeijing door jaarlijksche overstroomingen van den
Ganges, de gelijkmatige zachtheid van temperatuur en het groote
voortbrengingsvermogen van den grond eene onuitputtelijke vrucht-
baarheid te weeg brengen, zoodat, behalve reusachtige varens en
grassoorten (bamboes), niet alleen de sub-tropische gewassen: rijst,
katoen, suikerriet, meer dan veertig palmsoorten (die dikwerf — zoo
als op Geylon — geheele wouden uitmaken), maar ook de eigenlijk
tropische: de banaan (de Indische vijgenboom, die zijne takken naar
de aarde buigt en ze daar weder doet wortel schieten), de brood-
boom en de edelste specerijen (peper, foelie, kaneel, muskaat-
noot, de kruidnagels, enz.) in de weelderigste volheid gedijen.
Daardoor worden de behoeften der zuidelijke bewoners gemak-
kelijk bevredigd en blijft er nog eene groote hoeveelheid tot uit-
voer over. De Aziatische archipel deelt in de trotschheid
en verscheidenheid van den Bengaalschen plantengroei en draagt
op zijne vochtige kusten, even als de westkusten van Voor- en
Achter-Indië eeuwenheugende bosschen met edele houtsoorten (san-
del-, ebben-, mahouijhout en het weinig aan bederf onderhevige
tekhout). In deze wouden van Zuid-Azië, Achter-Indië en Benga-
len behooren tevens de grootste, sterkste en wildste vormen uit de
dierenwereld te huis : de olifant, die zich met de bladeren van den
kokospalm voedt en door geheel Indië en in Siam getemd tot
huisdier dient, de koningstijger, de leeuw, de panther, de neushoorn,
de krokodil, de vergiftige slangen, enz.
De Chinesche laagvlakten missen, zoowel door bare meer
noordelijke ligging, als door de verzachting der zomerhitte, door de
nabijheid der zee aan den eenen en het sneeuwgebergte aan den
anderen kant, den tropischen plantengroei, maar zijn toch overal
met kultuurplanten (hoofdzakelijk rijstvelden, boomwolstruiken be-
dekt, waardoor de in het wild groeijende planten, alsmede de wilde
dieren, verdrongen zijn geworden.
hb. Klimaat en plantengroei der berglanden.
Met de grootere verheffing van den grond verdwijnt in Achter-
Indië en Zuid-Azië langzamerhand de zoele warmte en het