Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
KLIMAAT EN BEWERKT. NATUUR IN OOST-AZië. § 16. 53
lioofdvoi-meii hier op een klein bestek voorkomen, heeft het
(zie § 15) veel meer afwisseling dan het eenvormige Afrika.
In dit opzigt heeft men Azië in vier gewesten ver-
deeld:
a. In O O s t e 1 ij k H o o g-A z i ë heerscht, in weerwil van
de ligging in de gunstigste deelen der gematigde luchtstreek,
eene dorheid en onvruchtbaarheid, die niet minder is dan die
van Afrika. Want de gestrengheid van den winter wordt even-
zeer door de aanzienlijke vertikale verheffing, als de droogte des
zomers door de ontoegankelijkheid voor aUen invloed der zee en
het groote gebrek aan kontinentale wateren verhoogd. Alleen
in het voorjaar, wanneer de smeltende sneeuw eene meer rijke-
lijke besproeijing verschaft, worden de wijde vlakten, die niet
aan stuifzand blootgesteld zijn, spoedig met een plantenkleed
bedekt, dat wilde dieren en rondzwervende herders met hunne
kudden uitlokt en aan karavanen den doortogt verschaft, maar
met den invallenden zomer weder verdort en eene steppe ach-
terlaat, waarover gloeijende winden heenstrijken. Een grooteren
rijkdom in de dieren- en plantenwereld treft men aan bij de
beschutte en besproeide dalen der randgebergten, vooral bij de
zuidelijke, zelfs op eene aanzienlijke volstrekte hoogte, zoo als
de dalvlakte van Tibet, waar de zomer, bijna zonder overgangs-
periode op den halfjarigen winter volgende, nog ter hoogte van
12 000 tot 14 000' graansoorten tot rijpheid laat komen en
waar de niet verhuizende huisdieren (schapen, geiten, paarden,
enz.) door buitengewoon digt haar tegen de winterkoude be-
schermd worden.
b. Zuidoostelijk Azië is bijna overal toegankelijk voor
den invloed der zee en maakt dus eene tegenstelling met het
kontinentale lioogland uit. De laagvlakten en kustlanden hebben
een warm, maar tevens vochtig, dus hoogst vruchtbaar, de berg-
landen een koeler klimaat. In Zuid-Azië dragen de periodieke
winden (moessons) er veel toe bij om de afwisseling der jaar-
getijden te bepalen; de zuidwestmoessons brengen den regen-
tijd aan het grootste gedeelte van Indië.