Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
AFZONDERLIJKE HOOGL. EN TERRA SL. V. AZIC. § 15. 49
onderscheidt zich van het centrale hoogland door het veelvuldig
indringen der zee en de daaruit voortspruitende sterkere gele-
ding zijner vormen (verg. § 27).
Beide terrassen worden verbonden door het Alpenland van
den Indischen Kaukasus of II i n d o e-K o e, als ware het een
berg-isthmus tusschen het gelijk eene golf in het hoogland bin-
nendringende Indische laagland en het Toeranische laagland.
Het vormt een verbindend lid tusschen het oosten en het wes-
ten van Azië.
Omdat de uitgebreidheid van het hoogland in de rigting van het westen
naar het oosteu steeds toeneemt en ten laatste eene breedte van bijna 500
mijlen bereikt, heeft de smalle westelijke rand eene veel grootere eenheid
in de volksbetrekkingen; de breede oostelijke rand integendeel ver verstrooi-
de massa's, die tot geene harmonische ontwikkeling konden komen, hoe-
zeer dit ook steeds het doel der Chinesche staatkunde geweest is.
2. De beide afzonderlijko hooglanden: het plateau
van Dekan en het Arabische hoogland hebben min-
der uitgebreidheid en hoogte. Zij omsluiten het centrale hoog-
land in het zuiden, maar worden door laaglanden er van geschei-
den en vormen twee groote schiereilanden.
3. De overgang van het centrale hoogland naar de verschil-
lende laaglanden, wordt gevormd door veertien terraslan-
den (200 000 Q mijl) met even zoo veel stroomstelsels (zie bl.
50), die zich als stralen naar alle rigtingen uitspreiden en een
gebied (van 340 000 Q mijl) besproeijen, dat zoo groot is als
het halve vastland (buiten de leden). Eene zoo njke besproeijing,
die zich naar alle zijden verspreidt, heeft Azië te danken aan
de centrale ligging van het hoogland, vooral van het oostelijke,
aan de groote uitbreiding daarvan over het werelddeel, aan de
aanzienlijke volstrekte hoogte der randgebergten, die ook in de
warmere streken nog tot in de gewesten van de eeuwige sneeuw
reiken, en aan de omge\ing van het hoogland met uitgestrekte
laaglanden, waardoor de stroomstelsels eene aanmerkelijke ont-
wikkeling verkrijgen, zoodat zij groote wegen voor het verkeer
te land en ter zee worden. Al deze voordeelen mist Afrika,
omdat zijn hoogland aan het einde van het werelddeel ligt en
PÜTZ, VERGEL. AARDR. 4