Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
44 AZië IN HET ALGEMEEN. § 13.
tenvijl die hooge bergwanden op beide zijden de vereffeningen
der tegenstellingen tusschen de koude, drooge noordewinden en
de zachte, vochtige zuidewinden beletten. Het kon niet anders of
zulk een scherp kontrast moest grooten invloed op de beschaving
hebben. Sedert duizenden van jaren vormde die bergrug den
scheidsmuur tusschen de beschaafde en niet beschaafde wereld, en
als meu het westen uitzondert, vormt hij dien tegenwoordig nog.
Tusschen twee zulke tegenover elkander staande werelden moest
eene vijandelijke aanraking bestaan. De beschaafde wereld beleefde
de zwaarste schokken, maar onderging ook eene verjonging van
hare verslapte krachten door de invallen der noordsche barbaren
(de Tocraners, later de Scythen en eindelijk de Seldschucksche
Turken in Iran, de Mongolen in de landen van China af tot aan
Duitsclüand, de Mandsjoe-Tataren in China, de Cimbren en Teu-
tonen en andere Germanen, alsmede de Hunnen in het Romeiu-
sche rijk).
i. azie.
A. AZIE IN HET ALGEMEEN.
§ 13.
WERELDSTAND VAN AZië.
Azië, het grootste van alle werelddeelen en met allen in
naauwere verbinding dan een der andere, was niet aUeen door
zijne ligging in het midden van de gezamenlijke deelen der aar-
de, maar ook door zijne innerlijke gesteldheid boven allen ge-
schikt om de wieg en bakermat van het menschengeslacht
te zijn. Want omdat hier de oppervlakte het maximum der
tegenstellingen kan aanwijzen (zie bl. 47), vereenigt het de
eigendommelijkheden van alle luchtstreken en alle trappen van
beschaving. Hier konden de rondzwervende bewoners reeds voor-
bereid worden voor de meest verschillende natuur der landen
van naburige werelddeelen, waarheen talrijke, stroomstelsels,
van een gemeenschappelijk middenpunt (het verbazende hoog-
land) in de meest verschillende rigtingen uitgaande, den weg
baanden. In dit gemeenschappelijk middenpunt vinden wij nog
tegenwoordig met elkander in aanraking de voornaamste grond-