Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VEKDEELING NAAR DEN GRAAD VAN BESCHAVING. § 12. él
trap van beschaving bereikt een volk eerst dan, wanneer naast
de bevrediging der stoffelijke behoeften ook geestelijke behoef-
ten ontwaken en het geleerd heeft deze door wetenschap
en kunst te voldoen.
Even als West-Azië het geographische middenpunt van het men-
schelijk geslacht is (zie bl. 33), is het ook de wieg der beschaving
(verg. 2de hoofdst. D). Deze verspreidde en ontwikkelde zich voor-
namelijk in het klimaat der gematigde luchtstreek, waar de mensch
door de snelle en veelvuldige afwisseling der natuurtoestanden
(temperatuur, jaargetijden) wordt aangespoord tot een voortduren-
den, maar vruchtbaren strijd met de natuur, die zich hier hare
gaven slechts laat afpersen. Daarentegen geeft de kwistige natuur
der tropische wereld in het geheel geen prikkel tot inspanning en
laat den mensch in werkeloosheid wegzinken en verslappen; in de
koude streek strijdt de mensch ook wel met de natuur, doch zon-
der gelukkig gevolg, een wanhopigen strijd. Uit dien hoofde zijn
de zuidelijke kontinenten en de gewesten van Midden-Azië, die
door hunne aanzienlijke vertikale verheffing bijna poolstreekachtig
worden, het hoofdtooneel van het nomadenleven, terwijl Europa,
Noord- en Midden-Amerika, West-, Zuid- en Oost-Azië bijna uit-
sluitend door volken met vaste woonplaatsen bezet zijn.
Met den graad van beschaving hangen ook de staatkun-
dige toestanden der volkeren te zamen. De zwervende
volkeren met of zonder eigendom vormen geen staat, maar le-
ven onder de aartsvaderlijke leiding van een oudste of hoofd-
man. Alleen bij de volken met vaste woonplaatsen ontstaan naar
bepaalde wetten georganiseerde staten. De vorm is verschil-
lend, naarmate de hoogste magt door een enkel hoofd of door
velen wordt uitgeoefend; in het eerste geval is het een monar-
chale, in het tweede een republikeinsehe vorm. De
monarchiën zijn bf onbeperkte (absolute), wanneer de wil
van den vorst (autokraat) als de eenige bron van wetgeving en
als alleen beslissend in eiken tak van bestuur geldt, bf be-
perkte (konstitutionele), wanneer door organieke grondwetten
de wetgeving en het algemeen toezigt van het staatsbestuur
tusschen den vorst en de vertegenwoordigers van enkele standen
of van het geheele volk verdeeld is. De republieken hebben bf