Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
KLIMAAT EN VOOETBRENGS. VAN AUSTR. § 80. 515
maal, uit hoofde van de eiland-ligging des kontinents en de voch-
tigheid van den dampkring, die nog verhoogd wordt door uit-
gestrekte overstroomingen, geen zoo overwegend vastland-ka-
rakter, als men van de groote uitgebreidheid van het vlakte-land
onder een tropischen hemel zou denken.
Een gevolg van deze oceanische gesteldheid van het klimaat is
de groote uitgebreidheid van den tropischen plantengroei naar het
zuiden, die zich ver over den zuidelijken keerkring uitstrekt en wel
op de oostzijde van het vastland, die in elk opzigt bevoorregt is,
tot 34° z. br., nog verder op het eiland Nieuw-Zeeland, waar men
bijna over de geheele uitgestrektheid (tot 47° z. br.) eene met den
tropischen plantengroei overeenkomende vegetatie heeft. Op de
Australische eilanden wordt de invloed der oceanische ligging op
de gelijkvormigheid van klimaat zoo groot, dat de temperatuur min-
der veranderingen ondergaat dan op eenige plaats ter wereld; want
het verschil tusschen de warmste en koudste maanden bedraagt
slechts 2—3°.
Terwijl op de noordzijde van Nieuw-Holland slechts twee, door de om
het half jaar afwisselende moesons veroorzaakte jaargetijden, een nat (Oc-
tober tot April) en een droog, voorkomen, heeft die helft, welke tot den
gematigden gordel behoort, de regelmatige afwisseling van vier jaargetijden,
waarvan de zomer (December tot Maart) wegens de drukkende warmte
het onaangenaamste, de winter (Junij tot September) door de koele tempe-
ratuur en het bestendige weder bet schoonste en gezondste is.
Daar op het vasteland de eenvormigheid van klimaat nog
verhoogd wordt door eene groote armoede van den grond, die
over onmetelijke uitgestrektheden met lagen van zeezand, zout-
meren, en zilte kleilagen bedekt is (waarvan men het ontstaan nu
eens aan eene opheffing van het vastland uit de zee door onder-
aardsche krachten , dan weder aan een terug treden der zee heeft
toegeschreven), moet ook de plantengroei te gelijker tijd den stem-
pel der eentoonigheid en der armoede dragen, en dit is beves-
tigd door de ondervinding, toen men er van verschillende zijden
is ingedrongen; alleen de oostzijde maakt hier eene uitzondering,
die haar grond vindt in hare overige voorregten. Bij deze een-
vormigheid (slechts de zelfde planten- en diersoorten over groote
uitgestrektheden!) en armoede heeft nogtans zoowel de planten-
als de dierenwereld juist van het vastland van Australië en van de