Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERTIKALE VORM VAN AUSTRALië. § 79. 513
straal-golf in't zuiden een zeer flaamven en die van Car-
pentaria in't noorden alleen een dieperen (100 Q m.) inbam
maakt, echter met vlakke, woeste, eenvormige oevers. Ner-
gens op aarde vindt men zulk een rijkdom in havens op zulk
een klein bestek, als op de zuid-oostkust (Nieuw-Zuid-Wales), iu
vereeniging met het daar tegenover Uggende Van Diemensland
(Tasmania). Hier vindt men dan ook het middenpunt der Brit-
sche volkplantingen en der scheepvaart, die leven geeft aan
het zuidelijk halfrond.
§ 79.
VERTIKALE VORM VAN AUSTRALië.
Eene nog grootere eenvormigheid vertoont zich in den ver-
tikalen vorm en de hydrographische toestanden van het vast-
land van Australië, in zoo verre het bekend is geworden.
Het binnenland is eerst door J. Mac Douall Stuart's reis iu
de laatste jaren (1860 en 1861) eenigzins onderzocht. Het is
volstrekt geene onvruchtbare woestijn of ondiep meer, maar de
oppervlakte vertoont aau het oog eene gestadige afwisseling
van woestijn en goeden grond, met bekende en onbekende gras-
soorten bedekt, die reeds in den natuurstaat overal volksstam-
men van inboorlingen voedt, en meer geschikt is voor de vee-
teelt dan tot woonplaats voor kolonisten. Hooge bergen, zoo
als men die op Nieuw-Guinea en Nieuw-Zeeland vindt, zijn
hier niet, evenmin als aanzienlijke tafellanden, waarvan het
gevolg is, dat men geen terrassen of ontwikkelde stroomstelsels
heeft. Ook in dit opzigt is het zuidoostelijk gedeelte van het
vastland bevoorregt, want hier breidt zich een, hoewel smal,
toch meer plateau- dan ketenvormig bergland uit, onder den
naam van Blaauwe bergen (2000—3000'), die bijna pa-
rallel met de kusten loopen , door diepe dalkloven gebroken,
welke aan den uitgang door op elkander gestapelde rotsblokken
versperd zijn. Nog hooger (met toppen van meer dan 7000')
verheft zich in den zuidoostelijken hoek van het vastland een