Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
34 DE MENSCHENRASSEN. § 9.
Wanneer men afgaat op schedelvorm, gelaatstrekken, huid-
kleur, lengte en kleur van het haar, dan onderscheidt men met
betrekking tot het ligchaam drie hoofdrassen: een
blank (Kaukasisch), een bruin (Mongoolsch) en een zwart
(Ethiopisch of Negerras), en twee overgangsrassen: een
M a 1 e i s c h (of Australisch) en een A m e r i k a a n s c h , die
welligt beiden door vermenging van twee of drie hoofdrassen
ontstaan zijn.
Het Kaukasische of Indo-Europesche ras (375? mill.), dat
zijn naam niet ontvangen heeft naar den Kaukasus tusschen de
Zwarte en Kaspische zee, maar waarschijnlijk naar den Caucasus
Indiens (Hindoe-Koe), onderscheidt zich door blanke huidkleur, vol-
komenste harmonie in den ligchaamsvorm, vooral door regte oog-
en gelaatslijnen. Hiertoe behooren de meeste beschaafde volkeren;
want het ras is verspreid over geheel Europa, het zuiden en zuid-
westen van Azië, het noorden van Afrika, ja zelfs in Amerika heeft
het de overhand (25 mill.).
Het Mongoolsche ras (500 mill.) heeft sterk ontwikkelde
wangbeenderen, en daarom kleine, diepliggende oogen; de huid is
olijfkleurig, het haar dik, stijf en zwart. Het woont in 't noord-
oosten en het midden van Azië. Bovendien is er nog een klein ge-
tal van in Hongarije en noordwestelijk Rusland.
Het Ethiopische ras 1) verschilt van de overige door een
platgedrukt, langer en smaller gezigt, bijna zwarte huidkleur, kort,
wollig, gekroesd haar en sterk vooruitstekende lippen. Het breidt
zich uit tusschen de westkust van Afi-ika en de oostkust van Nieuw-
Holland en door gewelddadige overplanting ook in Amerika.
Het Amerikaansche ras houdt het midden tusschen het Kau-
kasische eu Mongoolsche ras, maar heeft de meeste overeenkomst
met het laatste (vooral in huid- en haarkleur, de sterk vooruit-
komende wangbeenderen, gedeeltelijk ook in het schuine der oog-
lijnen). Het bepaalt zich tot Amerika en is het minst talrijk van
allen (13 mill.).
Het Maleische ras heeft van alle drie de hoofdrassen eenige
kenmerken in zich opgenomen; de Kaukasische schedel en oogvor-
1) De getallen der menschen, die tot dit en de beide volgende rassen
behooren, worden zeer verschillend opgegeven. Zie Petermaan, Mitthei-
lungen, 1859, bl. 15 en 1860, bl. 48.