Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
BEWERKT. NATUUR IN AMERIKA. § 71. 483
gezellige plantensoorten hebben, maar uit de meest verschil-
lende reusachtige soorten van boomen bestaan.
Het kontrast in het uiterlijk aanzien der planten- en dierenwereld tas-
schen het noorden en de keerkringen bestaat daarin, dat zich onder de
keerkringen de organische wereld het meest boven den grond ontwikkelt,
en daarentegen te dieper daalt, hoe meer men de polen nadert. De prach-
tigste bloemen vindt men in de heete luchtstreek op boomen met hunne
slingerplanten, in de zuidelijke helft der gematigde (tot 46° n. br.) op
de struiken, meer noordwaarts op de grasvelden.
Behalve de aangekweekte, tot dit werelddeel behoorende en
voor zijne ontdekking in de oude wereld onbekende planten (maïs,
aardappelen), hebben ook bijna alle nuttige gewassen der andere
werelddeelen hier eene plaats gevonden, even als de huisdieren der
oude wereld naast de aan de nieuwe wereld eigenaardige diersoor-
ten. Doch in het algemeen oefent de overtollige vochtigheid, zoo-
welals de tropische hitte, een nadeeligen invloed uit op de ontwikke-
ling van de hoogere dierlijke bewerktuiging; daarom heeft de plan-
tenwereld de bovenhand op de dierenwereld, en het onderschei-
dendkarakter der Amerikaansche dierenwereld bestaat in de groot-
te der kruipende dieren en de menigte en de veranderlijk schitte-
ren der kleuren der insekten, maar ook tevens in de kleinheid
en de geringe ontwikkeling der zoogdieren 1).
In Amerika, vooral in Zuid-Amerika, vindt men slechts die die r-
soorten in talrijke geslachten en groote menigte, die in hunne
leefwijze of van het water of van het overheerschende plantcuelemcnt
afhankelijk ziju- Daarom wemelen de rivieren eu moerassen, die
zich in den regentijd ontwikkelen, van krokodillen (hier: caimans),
reuzen-hagedissen (iguanen), basilisken, enz., en de ontoeganke-
lijke wouden verbergen een groot aantal slangen van allen aard
en alle grootte. De schitterendste pracht nogtans spreidt dc van
den plantengroei afhankelijke insektenwcrcld ten toon: de grootste
van alle tor-soorten (de „Ilerkulische mestkever") en de schoonste
kapellen met groote, van dc heerlijkste kleuren schitterende vleu-
gels. Daarentegen treft men onder de zoogdieren de hooger bewerk-
tuigde soorten der oude wereld in Zuid-Amerika slechts in veel ge-
ringer mate van ontwikkeling zoo naar ligchaam als geest aan; in
1) Zie verder bij Guijot. bl. 176.