Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERTIK. VORM VAN GROOT-BRITTANJE. § 56. 451
naar 't noordoosten in breedte toe, waarom Engeland meer vlak,
Schotland meer bergachtig is.
In Engeland liggen de gebergten bijna uitsluitend op de west-
zijde, en wel in vier groepen, waarvan er drie de van het zuiden
naar het noorden op elkander volgende schiereilanden C o r n w a 1-
lis, Wales en Cumberland vormen, welke, door diep insnij-
dende golven van elkander gescheiden, het aanzien hebben van
uitspringende bolwerken; de vierde, de Penninische keten,
gewoonlijk om hare vele toppen het Piekgebergte genoemd,
loopt als eene op zich zelve staande binnenlandsche bergketen van de
Schotsche grenzen in eene zuidelijke rigting tot aan het dal der
Trent, in het oosten en westen begrensd door vlak land. De groo-
tere, zuidoostelijke helft van het eigenlijke Engeland is een deels
vlak, deels heuvelvormig land van zoo gcriuge verhevenheid, dat
bijna nergens eenig verschil in het klimaat wordt voortgebragt.
Van die vier berggroepen verheffen zich de drie noordelijke
tot op ongeveer de zelfde hoogte (3000), terwijl de zuidelijke
groep maar half zoo hoog is, doch door de nabijheid der zee meer
uitkomt. De middenste der drie kustgroepen of het zich naar
alle kanten steil verheffende hoogland van Wales overtreft de beide
anderen ver in uitgestrektheid (350 □ mijlen), krijgt daardoor het
karakter van een eigenlijk bergland, en is daarom — even als het
Asturische bergland — het tocvlugtsoord geworden tegen vreemde
overheersching, waar taal en zeden der oorspronkelijke bevolking
zich het langst hebben staande gehouden. De noordwestelijke
groep, welke het weinig uitspringende schiereiland van Cumber-
land en Westmoreland vormt, heeft boven de andere groepen het
voorregt van versierd te zijn met Alpenmereu.
In Schotland herhaalt zich de verdeeling in een bergachtig
noordwestelijk en een vlak zuidoostelijk gedeelte, maar met dit
wezeidijk onderscheid, dat hier niet de vlakte (zoo als in Engeland),
maar het bergland verreweg de grootste helft beslaat.
Ook in Schotland ligt het laagste gebergte in 't zuiden, namelijk
het Scheiding s-gebergte naar de zijdcjvan Engeland (Cheviot-ge-
bergte), dat naar 't noorden in enkele ruggen daalt tot op de opene
vlakte {lowlands), waardoor de bergen van Zuid-Schotland van die
van Midden-Schotland gescheiden worden. De beide andere berg-
groepen van Schotland, die hoofdzakelijk in de rigting van 't zuid-
westen naar't noordoosten loopen, vormen te zamen het Schot-
sche hoogland, dat door eene reeks landmeren (insgelijks in de