Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
446 EUROPESCHE BIJLANDEN VAN DENEMARKEN. § 65.
— dus niet: Faröer-eilanden), eene groep van (25) kleine,
schraal bewoonde eilanden (24 □ m.), bijna midden tusschen
Noorwegen en IJsland, waarvan er zeventien bewoond zijn.
De (8600) inwoners leven van de schapenteelt, de vangst van
wilde vogels (dikwijls zeer gevaarlijk wegens de kKpachtige gesteld-
heid van den grond), de visscherij en eenigen gerstbouw.
2. IJsland (1867 □ m.), het vulkanische eiland, waar
„vuur en ijs in een onafgebroken strijd zijn om de heerschap-
pij" en dat toch nog de wijkplaats voor taal (die van de Ed-
da) , regt en sage van het Skandinavische noorden geworden is,
ligt aan de uiterste grenzen der gematigde zone en reikt met
zijne noordzijde tot aan den poolcirkel.
De kust heeft, vooral op de westelijke en noordelijke zijde, door
de woedende zee veelvuldige insnijdingen en is dus rijk in havens
en reeden; het noordwestelijk gedeelte is door eene smalle strook
met het andere deel verbonden. Het grootste gedeelte van het eiland
is vol bergen (ter hoogte van 6000 ), die reeds bij eene hoogte van
2700—3000' met eeuwige sneeuw en ijs bedekt zijn; twee vau 't
zuidwesten naar 't noordoosten loopende ketenen sluiten een hoog-
land in, waarover groote zandsteppen loopen. De vulkanische wer-
king vertoont zieh ten deele in de uitbarstingen der (29) vulka-
nen, onder welke de Hekla in 't zuidwesten en de Krabla in
't noordoosten de middenpunten zijn van eene geheele groep vuur-
spuwende kraters, ten deele in de heete bronnen, die over het
geheele eiland verspreid zijn, en nu eens hoog opspringen (zoo als
de Geyser), dan weder rustig vloeijen.
Met betrekking tot zijne noordelijke ligging heeft IJsland een
zacht klimaat; het karakter van zeeklimaat (koele zomers en zachte
winters) is hier het sterkst uitgedrukt; doch er bestaat werkelijk
onderscheid tusschen het met drijfijs (soms tot Junij of Julij) om-
geven noordelijk en het hiervan verschoonde en tevens door bergen
beschutte zuidelijk gedeelte. Het zachte klimaat der westkust schijnt
veroorzaakt te worden door eene warme strooming der zee, die
hier langs naar het noorden gaat. Naauwelijks het negende deel
van het eiland (vooral de ^ordachtige bogten aan de zuidwestkust) is
bewoond; de voornaamste plaats, Reikiavik (d. i. het rookende
dorp), telt slechts 1400 inwoners; de (Skandinavische) bevolking
(65 000 inw.) moet haar bestaan vinden inde vischvaugst, veeteelt
(op de weiden, die door de vulkanische warmte van den grond zoo