Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
440 VEKTIKALE VOKM. § 64.
Het Skandinavische hooggebergte, dat sleehts teu deele
(op beide zijden vanden poolcirkel) Kiöl en-gebergte heet enmetgeen
ander Europeesch gebergte in zigtbaren zamenhang staat, is in 't zui-
den hooger dan in 't noorden. Vergeleken met de Alpen heeft
het grootere horizontale uitbreiding en meer vlakte-inhoud (9500 □
m,), maar doet er voo"r onder in vertikale hoogte, zoowel van den kam
(in 't noorden 1000', in 't zuiden tot 5000 ), als van den hoogsten top
(7600); maar de noordelijke ligging geeft daaraan een nog ruwer
en onbebouwbaarder karakter dan aan de Alpen, en terwijl hier de
aanmerkelijke verschillen in klimaat en plantengroei, de uitgebreid-
heid der sneeuw- en ijsmassa's hoofdzakelijk van de volstrekte hoogte
afhangen, worden zij in Noorwegen daarenboven veroorzaakt door een
verschil van 13 breedtegraden. Alleen de naar't zuiden opene dalen zijn
geschikt voor eene winstgevende bebouwing. Het kontrast tusschen
de tegenovergestelde hellingen van het hooggebergte, tusschen de
korte dwarsdalen op de westelijke zijde en de lange op de oostzijde,
die tot rivierbeddingen dienen en soms met Alpenmeren bedekt zijn,
springt bij de noordelijke bergmassa veel sterker in 't oog dan bij de
Alpen op de noord- en zuidzijde. Lengtedalen zijn hier in 't geheel
niet. Verdere verschUlen vindt men in de kamvorming, daar de
Skandinavische bergmassa van boven vlak is en de passen over
bergvlakten loopen, die men niet in de Alpen heeft, waar eerder
diepe insnijdingen in den kam tot passen dienen. De Alpen hebben
op de beide hoofdhellingen een schoonen krans van bekoorlijke berg-
meren, in Skandinavië vindt men die alleen op de oostelijke helling.
Daar de westelijke zijde van het gebergteland zoo steil helt,
dat men er, in plaats van dalen, diepe, smalle gorden vindt, heeft
men alleen op de oostelijke helling eenigzins belangrijke rivie-
ren, m.eest gemengde stroomstelsels met meerbekkens eu water-
vallen, die zieh van het hooggebergte door het middenbergland
in de vlakte neerstorten en gedeeltelijk hare uitwatering hebben in
de Bothnische golf (zoo als de Tornea-Elf, Dal-Elf, enz.), gedeelte-
lijk in hetWenern-mcer (de Klara-Eif), gedeeltelijk in de Noordzee
(Glommen, de eenige Noorwecgsche van beteekenis). DeMaan-Elf
vormt een 500' hoogen waterval („den fraaisten der wereld"?).
Eene binnenvaart tusschen de Noord- en Oostzee verschaft «het
Göta-kanaal, dat uit de Göta-Elf, om den waterval van Troll-
hatta heen, door het Wenern- cn verscheidene kleinere meren in
het Wettern-meer en hieruit (door middel van de Motal-Elf) naar
de Oostzee voert.