Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERTIKALE VORM EN WATEREN. § 6é. 439
kustontwikkeling en eilandvorming betreft, wordt Noorwegen
en nog meer Zweden door het derde Skandinavische rijk, Dene-
marken, betrekkelijk ver overtroffen.
Vertikale vorm en wateren.
Even als Duitschland in de rigting van 't zuiden naar 't noor-
den in een hooggebergteland, een midden-bergland en heuvelland,
en eene laagvlakte verdeeld wordt, heeft Skandinavië den zelf-
den vorm van bodem in de rigting van 't westen naar het oos-
ten. Het hooggebergteland, dat minder om zijne volstrekte
hoogte, dan om zijne ligging bij de pool dit karakter draagt, loopt
langs de westkust, daalt steil in zee af, en is door deze , even
als de westkust van Groot-Brittanje, veelvuldig gescheurd, zoo-
dat de Lofodden even zoo goed afgescheurde stukken der
kust van Noorwegen scliijnen te wezen als de Hebriden van
de Schotsche kusten. In de rigting van het zuiden naar het noor-
den wordt dit meridiaan-gebergte in drie deelen gesplitst: Lan-
ge Field (60 m. lang), Dovre Field, de (slechts 16 m.
lange, maar breede) bergknoop tusschen den noordelijken en
zuidelijken tak; de laatste heet de groote Kiölen, die 100
m. naar 't noordoosten loopt. Ook worden de meridiaanketenen
van beide landen des te hooger, woester en steiler hoe digter
zij bij de zee komen, terwijl zij naar het oosten, naar den kant
der binnenzeeën in lagere terraslanden zich uitstrekken. Daar-
om loopen ook alle grootere bergwateren in beide landen naar
het oosten. Het midden-bergland (100 O'hoog) of het breede
overgangsterras van hoogland naar vlakland beslaat hier, even
als in Duitschland, de meeste ruimte, en daalt allengs in de
laagvlakte af. Het bevat den boven- en middenloop der rivie-
ren, kleinere en grootere bergmeren: het Wenern-, Wettern-
en Mälar-meer. Gelijk het hooggebergteland de westkust
volgt, loopt het vlakke land als eene tamelijk smalle strook,
die echter naar het zuiden breeder wordt, langs de oostkust,
die daardoor (bij de noordelijke ligging van het geheel) veel
voorregten geniet (als de westkust van Italië) en zeer geschikt
is voor de zeevaart.