Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
WEICHSEL. NIEMES. DÜNA. § 63. 425
sischen bodem de kleinste en onstuimigste en hebben ondie-
pe mondingen. Allen breken door den noordelijken landrug in
zijne volle breedte, en de Düna en de Niemen nog met
schietstroomen; de Weichsel baant zich zelfs door de wes-
telijke randen van beide landruggen een weg. Zij loopen allen
niet onmiddellijk in de Oostzee, maar in eene harer golven of
in een h a f f uit.
1. De Weichsel, de grootste stroom van het Oostzee-gebied
eu de grensscheiding tusschen het Slavische en Germaansche deel
van't Europesche laagland, ontspringt op de Beskiden, de noord-
westelijke helling van het Karpathische Woudgebergte, bereikt, na
een korten bovenloop (tot Krakau) tusschen twee steile dalranden,
met eene sterke buiging van zijn midderdoop (even als bij Don en
Duieper), bijna de dubbele lengte van den afstand tusschen bron en
mond (60 m.). In zijn (reeds bevaarbaren) middenloop nadert hij
met eene sterke bogt naar het oosten de brongebieden van Niemen,
Dniester en Dnieper en neemt hier zijne waterrijke zijrivieren op;
van 't oosten den Bug (met den Narew), van 't westen de P il i-
ca, waardoor zijn stroomgebied niet zeer voor dat van den Rijn
onderdoet. Nadat hij de noordwestelijke rigting heeft aangenomen,
die bij alle hoofdstroomen der Noord-Duitsche laagvlakte de over-
hand heeft, breekt hij door de Baltische meervlakte, eene smalle
voortzetting van den noordelijken landrug, vormt, door zijn stroom
tweemaal te splitsen, eene vruchtbare delta en loopt met twee
armen, de Nogat en den Ouden Weichsel, in het Frische
Haff, met een derden arm, den Dantziger Weichsel, in
de Dantziger bogt, cn verbindt op die wijs de delta- met de haff-
vorming.
2. De N i e m e n (iu den benedenloop Memel genaamd) ontspringt
aan den zuidelijken voet van den noordelijken landrug, heeft een
bijna evenwijdigen loop met zijn noordoostelijken buur, de Düna,
daarentegen met zijn westelijken, den Weichsel, de vereeniging van
delta- en halfvorming gemeen; want het Kurische haff beschouwt
men als eeu mondingsbekken van den met twee armen (Gilge en
Russ) uitstroomenden Niemen.
3. De Düna ontspringt op het Wolchonskiwoud, in de nabij-
heid van de Wolga en den Dnieper, en krijgt daardoor, dat zij eerst
zuidwestelijk, maar dan noordwestelijk loopt, eene stroomontwik-
keling , die juist het dubbel is van den afstand tusschen bron en
monding in de golf van Riga. Zij breekt, even als de Niemen,
PÜTZ. VEBGEL. AAKDE. 28